De cultuurstrop

Ze zitten om de tafel, vader en moeder. Het is al laat. Op het kleed liggen spaarbankboekjes, giroafschriften, de spaarvarkens van de kinderen, lege statiegeldflessen, een gouden kettinkje, zeven euro, wat buitenlandse munten en er staat een pot thee.

`Schenk nog eens bij, moeder', zegt vader.

`Er zit niets meer in de pot, maar ik zal nog wat water op het oude theezakje schenken. Dat kan nog best.' Moeder gaat naar de keuken, steekt het gas onder de waterketel met een lucifer aan, wacht tot het kookt en giet water in de pot. Zuchtend komt ze terug in de kamer.

Vader trekt aan zijn pijp. `Dit is mijn laatste deze maand. Dat scheelt weer vijf euro.'

Moeder schikt haar haren. `Ik hoef nog niet naar de kapper. Het kan nog best een tijdje mee zo.' Dan kijken ze weer naar het lijstje:

- abonnement op de Trouw

- radiobode

- museumjaarkaart

- boormachine

- voetbalschoenen Bert

- inbraakwerende strips

- schoolfonds Toke en Bert

- beugel voor Toke

`Het lukt niet', zegt vader. `We moeten bezuinigen.'

`Die beugel moet echt, die is wel het duurste, maar het kind gaat er niet uitzien als ze groot is.'

`Zo'n beugel kan altijd nog als ze wat ouder is, dan neemt ze er zelf maar een krantenwijk voor.' Moeder zwijgt.

`Laten we de abonnementen wegdoen. We kunnen de krant ook in de bibliotheek lezen.' Moeder zwijgt.

`Als we het kettinkje van je oma verkopen, dan kunnen we die boormachine kopen.' Hij kijkt nog eens. `En die museumjaarkaart, die is toch nergens voor nodig.' Moeder loopt zwijgend weg. Zachtjes klinkt het tikken van haar tranen op de harde keukenvloer. Het duurt lang. Vader schuift zijn stoel weg en gaat naar de keuken. Een gaslucht komt hem tegemoet. Moeder heeft haar hoofd in de oven gestoken. Op tafel ligt een briefje: `Lieve Gerrit. Dit lijkt mij de beste bezuiniging. Sorry voor het extra gas.'

Het deugt niet. De cultuurnota van het rijk niet en het kunstenplan van Amsterdam niet. Ja natuurlijk, bezuiniging staat met grote hoofdletters op de voorhoofden van onze staatslieden geschreven. Ze kijken er zelf zo zuinig bij dat je er werkelijk in gaat geloven dat die de grootste prioriteit heeft. Waar visie zou moeten zijn, heersen getallen. En in de niets ontziende wedstrijd wie het meest kan bezuinigen sneuvelt het een na het andere moois en lieflijks van de samenleving.

Bij de cultuur komen de bezuinigingen extra hard aan, omdat de sector zo fragiel is. Als een weg wat minder goed onderhouden wordt, slijten de banden van de auto's misschien sneller, maar daar staat tegenover dat er minder hard gereden kan worden, wat weer een voordeel is voor het milieu. Als een museum minder goed onderhouden wordt, gaat de kwaliteit van een collectie achteruit. Wat zullen de autoriteiten in Weimar zich voor de kop slaan dat ze bezuinigd hebben op brandveiligheid. Moet de overheid wel zorgen voor kunst? Is dat niet een kwestie van de vrije markt en het mecenaat? Multatuli schreef dat Thorbeckes principe om zich niet te bemoeien met kunst niets nieuws was, omdat het al sedert lang werd beoefend door Hunnen, Vandalen, Vuurlanders en conservatieven. Terecht heeft een aantal bezorgde mannen (waren er ook vrouwen bij?) op initiatief van Hans van Mierlo een brief aan Balkenende geschreven waarin ze hun bezorgdheid uiten over de houding van de overheid.

Ronald Plasterk heeft in de Volkskrant een column geschreven tégen de brief van Hans van Mierlo. Plasterk vindt die brief maar niks. Ik vind Plasterk z'n column maar niks. Zijn stuk rammelt van de onduidelijkheden, suggesties en onhygiënische vergelijkingen. Ja, zegt hij, ik weet dat bezuinigingen hard aankomen, want vorig jaar moest het kankerinstituut ook inleveren. Wie kanker en kunst naast elkaar zet, kan er zeker van zijn wie wint. En natuurlijk heeft kunst nog nooit een kankerpatiënt genezen, maar ik ken wel kankerpatiënten die heel veel troost in gedichten gevonden hebben, toen hun uitgeteerd lichaam door allerlei gesubsidieerde medische experimenten kunstmatig langer in leven gehouden werd dan verdraagbaar was. De brief is ondertekend door de hoogste chic van Nederland, schrijft Plasterk, om daarna meteen te beweren dat de discussie over elite en massa het vraagstuk van de kunstsubsidie zo vaak vertroebelt. Waarom dan de ondertekenaars kenschetsen als een rechtse elite, waarbij hij en passant ook de voorheen onkreukbare Wim Kok van heulen met de kapitalist Rinnooy Kan beticht? Wie vluchtig leest, en welke krantenlezer doet dit niet, zal denken dat Plasterk de brief van Van Mierlo ziet als een pleidooi van arrogante miljonairs voor nog meer geld voor de hogere kunsten, waar zij toch al het meest van profiteren. Van de opera bijvoorbeeld, altijd goed als voorbeeld van elitekunst, hoe dol mijn melkboer daar ook op is. Wie bepaalt, vraagt hij, dat opera beter is dan hiphop? De vraag stellen is het antwoord klaar hebben.

Een eerstehulparts heeft me eens voorgerekend dat de overheidssubsidie aan sport vele miljoenen hoger ligt dan die aan de kunsten, als je de kosten meerekent van botbreuken, gescheurde pezen, hersenschuddingen, kapotte knieën, open scheenbenen, afgerukte vingers en wat hij niet allemaal in de weekenden aan beschadigde beroeps- en amateur-sporters voorbij ziet komen. Afgezien dan nog van de kosten aan politiebewaking en reparatie van gesloopte bussen of treinen. Ik zeg dit niet omdat ik vind dat de overheidssubsidie op sport omlaag moet, maar omdat er bij elke concrete overheidsuitgave ook moeilijk te berekenen kosten of juist winsten zijn. De door Plasterk bepleite kaasschaafmethode mag solidair lijken, maar is eigenlijk alleen maar gemakzuchtig. Allemaal hetzelfde, niet zeuren, zei de boer en gaf alle varkens een halve emmer voer in plaats van een hele. Maar hij vergat dat hij de varkens die niet drachtig waren al een kleinere emmer had gegeven.

Maar goed, stel dat het nu werkelijk niet anders kan, minder voor de kunsten. Wat zou dan een aanvaardbaar beleid zijn? In elk geval een beleid waar een zekere visie achter zit. Wat dat betreft durft Hannah Belliot in Amsterdam krachtiger te zijn dan Medy van der Laan. Mensen, zegt Belliot, moeten zich aandeelhouder van de cultuur voelen. Dat is een goede gedachte. De musea, de theaters zijn van ons en worden van ons geld onderhouden. Ook de nieuwe Amsterdammers moeten van hun stad gaan houden. `Die moeten we de waarde van de stad bijbrengen, want als ze die niet zien, gaat het ten koste van het culturele erfgoed', licht ze toe. Daarvoor, denk ik, hebben de nieuwe Amsterdammers figuren nodig met wie ze zich kunnen identificeren. Multatuli bijvoorbeeld, weliswaar een witte man, maar een met het hart en het verstand op de goede plaats toen de grootvaders van de nieuwe Amsterdammers nog in Indië en Suriname woonden en door andere witte mannen onderdrukt werden. Hij is een van de bemiddelaars tussen culturen die als een boegbeeld zou kunnen functioneren. Zijn museum staat op de nominatie om wegbezuinigd te worden.

Medy van der Laan is voorzichtiger. Ze kiest zoals een huisvrouw zou kiezen. Wat extraatjes voor de goede moed, hier en daar op zeker spelen voor de toekomst, en verder alles een beetje minder. We drinken niet minder koffie, maar minder goede. Ze lijkt vooral nagedacht te hebben over wie het minst zou protesteren. Het beleid voor internationale kunstenbevordering komt er bekaaid vanaf. Welke buitenlandse kunstenaar zal er immers protesteren omdat hij niet in een atelier in Nederland mag komen werken? Dat scheelt dus een hoop herrie. Kamermuzikanten, toch al een bescheiden groep die gewend is te leven van twee boterhammen en een slok wijn per dag, leveren zwaar in. De kaasschaafmethode voor de overigen geeft de minste conflicten, alleen een beetje gemor bij iedereen, maar er vallen tenminste geen oordelen.

Ik zei dat een beleid met een zekere visie aanvaardbaarder is dan een beleid zonder visie. Maar elk cultuurbeleid dient ook behoudzuchtig te zijn, in de letterlijke betekenis van het woord. Schilderijen, gebouwen, boeken en filmbanden zijn vergankelijk en er moet voortdurend voldoende geld zijn om te conserveren. Niet alleen materiële zaken zijn vergankelijk. Ook immateriële kwaliteit kan vergaan. Een theatercompagnie die zijn beste acteurs niet kan behouden, zal achteruit gaan, en dan kan het jaren duren voor de oude kwaliteit weer terug is.

Oja, Gerrit was nog net op tijd om moeders kop uit de oven te trekken. Hij was zo geschrokken dat hij haar een museumjaarkaart beloofde. `En het kettinkje van oma gaat niet weg,' stamelde moeder, met een suizend hoofd. `Het is het enige ding van vroeger dat ik nog heb.'