Bij de dood van André

Albert Verlinde haalt herinneringen op aan de zingende volksheld die donderdag overleed.

Soms wil een mens alleen maar vloeken. Op het moment dat je hoort dat André Hazes overleden is bijvoorbeeld. Ik zat donderdagmorgen net achter mijn computer om deze column te schrijven en was vast van plan eens lekker los te gaan over de tv-plannen van John de Mol en alle verhalen achter de schermen die ik daarover gehoord heb, toen de actualiteit me keihard inhaalde. Ik kreeg een telefoontje van een vriend die me vertelde dat André Hazes overleden was en dat dat bericht binnen een uur naar buiten gebracht zou worden. Ik hoopte dat het loos alarm was. Op woensdagavond was Dré, zoals hij liefkozend genoemd werd, met spoed opgenomen in een ziekenhuis in Woerden en prompt waren er 's nachts op internet allerlei lage roddels verschenen over het feit dat hij dood zou zijn en ik hoopte dat dit ook weer zo'n gerucht zou zijn. Maar binnen vijf minuten kwam het tweede telefoontje binnen van een hele andere kant; de volkszanger was 's morgens om half tien gestorven aan een hartstilstand en toen wist ik dat ik de column over John de Mol voorlopig niet zou schrijven.

Want wat stelt al het mediagekakel, de plannen van De Mol, de lage kijkcijfers van Het Glazen Huis en de teloorgang van het tv-format The Bachelor nou voor op het moment dat een 53-jarige volksheld volstrekt onverwachts overlijdt? Helemaal niets, inderdaad.

Als een Bekende Nederlander sterft, ben ik ineens een Bekende-Nederlanderdeskundige die door alle radiozenders van Nederland gebeld wordt voor commentaar. Dat commentaar geef je, maar de woorden die je vindt, zijn nooit toereikend om het verlies van een volksheld te omschrijven. De herinneringen struikelen over elkaar heen. Zo reed ik een keer naar een sportschool in de omgeving van Rotterdam waar André aan het trainen was voor een groot concert. Hij moest en zou fysiek helemaal in orde komen en daarom holde hij zich een verstomping op een loopband. Maar voor op dat apparaat stond wel een blikje bier waar een zwetende Hazes af en toe een slokje uit nam. Ja, zei hij puffend; je moet uitdroging voorkomen natuurlijk. Het publiek en de slijter weten inmiddels dat André uitdroging absoluut voorkomen heeft. Hij leefde er vrolijk op los, maakte geen geheim van zijn drankgebruik en speelde met zijn gezondheid. Hij was een volkszanger in hart en nieren die letterlijk op het biljart begonnen was en die zijn ware aard nooit verloochend heeft. Ik had de eer hem te volgen op de avond dat in de Amsterdamse bioscoop Tuschinski de documentaire Zij gelooft in mij van John Appel in première ging. Hij was zenuwachtig, maar gaf ook aan dat zijn leven er niet van afhing. Het was leuk dat alle hotemetoten uit de filmindustrie in de zaal zaten, maar zijn echte fans bleven hem toch wel trouw ook als de documentaire een flop werd.

De documentaire werd een hit en het cultureel establishment omhelsde André, maar meneer Hazes liet zich niet gek maken. Hij ging zich niet ineens semi-intellectueel gedragen, maar bleef de gewone jongen die hij was. En die gewone jongen is er nu niet meer. We zullen het moeten doen met de liedjes en de verhalen die hij achterlaat.

Als er een God is, dan bouwt hij hierboven meteen een grote bar waar het bierfust nooit leeg is en de stapel knakworsten tot aan het plafond reikt. In die hemel hoort Hazes thuis en wij hier beneden binden af en toe een brief aan een vlieger en die sturen we dan naar André die hoog in de hemel is en net als iedere fan hoop ik dat hij hem ontvangt, hij die ik mis.

    • Albert Verlinde