Balkenendes kruistocht in eigen land

Het kabinet-Balkenende vertoont een grote daadkracht en zorgt voor een einde aan de paarse consensus: discussies en onenigheid zijn aan de orde van de dag. De politieke duidelijkheid is terug. Maar het vertrouwen in de politiek is daarbij tot een dieptepunt gezakt. Het kabinet vraagt veel van de bevolking. Geeft het ook voldoende?

Het kabinet-Balkenende II regeert. Daarmee is een einde gekomen aan twee jaren van richtingloosheid en ambtenarenmacht, toen eerst het kabinet-Kok II zichzelf uitputte en het kabinet-Balkenende I zichzelf verlamde.

Op het moment van zijn aantreden beschikte Balkenende over minder bestuurlijke ervaring dan welke beginnende premier ook na Schermerhorn in 1945. Hij blijkt echter een snelle leerling. Het regeerakkoord Meedoen, meer werk, minder regels (13 miljard euro ombuigingen van overheidsuitgaven) plus de extra bezuiniging van 2,5 miljard euro worden uitgevoerd met een indrukwekkende werkkracht.

Minister De Geus breekt met de corporatistische erfenis van arbeidsverhoudingen en werknemersverzekeringen uit de twintigste eeuw. Donner geeft leiding aan een omvattend veiligheidsbeleid waarbij de departementen van Binnenlandse Zaken en Justitie praktisch fuseren. Veerman transformeert de landbouw tot een niet beschermde sector die zich voortaan richt op de vraag van consumenten naar veilig voedsel, een leefbaar platteland en dierenwelzijn. Zalm heeft in zijn derde termijn de huishouding van alle ministeries en lagere overheden in de houdgreep van het Europese stabiliteits- en groeipact, een postuum eerbetoon aan vader en zoon Drees. Verdonk voert een sluitend vreemdelingenbeleid met inburgering op kosten van de nieuwkomer aan de ene kant van het stelsel en uitzetting van de illegaal aan de andere kant. Kamp formeert met een Madurodam-budget gevechtseenheden die geallieerde vredesmissies in falende staten kunnen afronden. De Graaf lanceert allerlei voorstellen voor de herziening van het staatsrecht in de consensusdemocratie. Bot bereidt met het Turkse lidmaatschap van de Europese Unie een vreedzame coëxistentie tussen seculiere godsdiensten voor.

Het kabinet rechtvaardigt zijn dadendrang met een dreigingsbeeld dat permanent wordt aangescherpt. Nederland met zijn in menig opzicht ordelijke en fortuinlijke levenswijze wordt bedreigd door terreurbewegingen, verstoringen in de wereldeconomie en handelsconcurrentie uit Azië (India, China). Nederland is slechts een kleine speler op het geopolitieke schaakbord van de Verenigde Staten, de uitgebreide Europese Unie en de netwerken van internationale organisaties. En Nederland is kwetsbaar en onvoldoende voorbereid wegens een ingewikkeld gemeenschapstekort: spanning tussen bevolkingsgroepen in de steden en tussen personeelsgeledingen in arbeidsorganisaties, scheve opbouw van de werkzame beroepsbevolking, bureaucratisering van de overheid en het bedrijfsleven.

Net zoals de regeringscoalities in 1945

(wederopbouw), 1973 (oliecrisis), 1983 (depressie) en 1994 (werkloosheid, toetreding monetaire unie) bedient de huidige coalitie zich van een groot crisisverhaal om een afwachtende burgerij wakker te schudden en om steun te verwerven voor een lijn van bezuiniging en matiging, met zekere kosten doch onzekere baten voor de samenleving als geheel. Balkenende en zijn ploeg beweren dat ze lang slepende vraagstukken en geschillen, zoals over de basisverzekeringen tegen arbeidsongeschiktheid en ziektekosten, bestuurlijk en soepel oplossen. Ook deze aanspraak volgt het stramien van Drees, Lubbers (,,no nonsense'') en Kok (,,werk, werk, werk'') in hun beste jaren.

Maar evenals de calvinist Den Uyl tussen 1973 en 1977 – de calvinisten Zijlstra en Biesheuvel zaten te kort om voor Balkenende zinvolle rolmodellen te kunnen zijn – verbindt de calvinist Balkenende zijn streven naar een zakelijke aanpak namens de meerderheid in de Tweede Kamer met een ideologische formule. Die formule staat haaks op de progressieve spreiding van kennis, inkomen en macht, de linkse doelstelling van Den Uyl destijds. Ook als we rekening houden met het onderscheid tussen de christen-democratische opdracht tot zorgzaamheid en de lof der keuzevrijheid van conservatieve en sociale liberalen, kan de gedeelde formule van dit kabinet analoog worden omschreven als de spreiding van ,,bezit, vrees en verantwoordelijkheid''.

Spreiding van bezit

We moeten gezamenlijk meer uitvoeren, meer vervoeren, meer innoveren, langer werken, harder werken, creatiever werken, korter studeren, gerichter sparen en met meer tucht onze opleidingen afmaken (géén verzuim en verlating door leerplichtige jeugd). Dat is volgens de niet-economen Balkenende en Brinkhorst op gezag van het IMF en de OESO de enige manier om de kwartalen van krimp, verlies van marktaandelen, productiviteitsverlies, toenemende werkloosheid en uitholling van koopkracht te stoppen en het pad van duurzame groei en opeenstapeling van kapitaal in ruime zin terug te vinden.

De eeuw van arbeidstijdverkorting met haar frivole einde van onthaasting is voorbij en komt nooit meer terug. De eeuw van continue transnationale productie (uitbesteding over de grens) is aangebroken.

Spreiding van vrees

We moeten waakzaam zijn en ons verweren tegen terroristen, verdachte regimes met kernwapens, fundamentalisten, extremisten, georganiseerde misdadigers en drugsproducenten. Een internationaal en binnenslands gecoördineerd veiligheidsbeleid kan volgens Donner alleen slagen wanneer de aloude argeloosheid van gewone Nederlanders in zaken van oorlog en geweld plaatsmaakt voor oplettendheid. De rechten op afscherming van privacy en bescherming van verdachten mogen niet langer wordt verabsoluteerd. De journalistiek op dit gebied dient serieuzer te worden.

Spreiding van verantwoordelijkheid

Het nieuwe arbeidsethos vreet tijd van de burgers, om maar te zwijgen van kwaliteitstijd voor hun gezinnen en vrijwilligerstaken. Het Actieprogramma Andere Overheid van het kabinet wil bijdragen tot de garantie van publieke voorspoed en veiligheid door bestuurders en ambtenaren. Een en ander doet echter niets af aan onze primaire verantwoordelijkheid voor onze studerende kinderen en hulpbehoevende ouders, onze scholen, buurten en verenigingen, onze landgenoten, medeburgers in Europa en medemensen in humanitaire rampgebieden.

De geldelijke en zedelijke drang van Balkenende en de zijnen is bedoeld om een nieuwe consensus te vestigen tegen het einde van de kabinetsperiode. Maar op korte termijn lokt men een confrontatie uit langs vertrouwde scheidslijnen tussen links en rechts die doen denken aan het debat over de harde maatregelen van Lubbers in het begin van de jaren '80. Links ziet een onbalans tussen bezuinigingen en de noodzaak van stimulerende maatregelen. Links verwerpt polariserende welstandsverschillen en eist meer geld voor de echte kwetsbaren (verpleeghuizen) en voor gemeentelijke armoedebestrijding. Links dient tegenbegrotingen in, ditmaal zonder de inflatie aan te jagen. Links staakt en demonstreert tegen afbraak en de schijnheiligheid van rechts. Hoe lang nog blijft een armlastige overheid meebetalen aan de eigen huizen van de rijkeren? Rechts antwoordt dat er geen alternatief is en dat jongere werknemers de dure groepsvoorzieningen voor geboortegolfwerknemers niet meer hoeven te subsidiëren, en al helemaal niet onder het mom van solidariteit. Deze hele onenigheid met een ongewisse afloop lijkt mij een van de meer geslaagde onderdelen van de `nieuwe' politiek. Dit is de terugkeer van politieke duidelijkheid en van het politieke debat die de vele critici van de paarse verzoening tussen links en rechts zo graag wilden.

De onenigheid is misschien nu nog een Haags bedrijfsongeval en een tijdelijke hapering van het poldermodel. Maar zij is zeker ook een door Balkenende ingecalculeerde reactie op zijn waarden- en normenoffensief. Dit offensief denderde deze zomer gewoon door, terwijl het embargo op staatsgeheimen wegsmolt en elke dag weer verse beleidsvoornemens in de kranten verschenen. Door toedoen van deskundigen en onderzoeksjournalisten is in diezelfde kranten een reeks van zinnige vragen van feitelijke aard opgeworpen. Blijven Nederlandse soldaten in Irak bij een onbepaald uitstel van de verkiezingen daar? Komt de terreurbestrijding via samenwerkende veiligheidsdiensten van de grond? Geraken modale gezinnen, met een netto maandinkomen tussen 1200 en 2000 euro, in de klem? Hoe trekt de wetgever een nullijn voor bedrijfsbestuurders die doorgaan met zelfverrijking? Kan het zijn dat de miljoenennota 2005 gunstig is voor grote internationale bedrijven maar ongunstig voor het landelijke midden- en kleinbedrijf (deels nog in familiehanden)? Is een arbeidstijdverlenging die differentieert naar sectoren en beroepsgroepen niet veel verstandiger? Zijn de abrupte ingrepen in het arbeids- en belastingrecht niet in strijd met het idee van behoorlijk bestuur? Raakt de kenniseconomie achterop door het slappe innovatiebeleid van het kabinet? Al deze vragen komen samen in een zuiver politieke vraag die ik hier wil beantwoorden. Zal Jan Peter Balkenende in zijn opzet slagen en alles wat door Pim Fortuyn allemaal is losgemaakt, weer goed vastmaken?

De algemene succesvoorwaarden voor een kabinetspolitiek van crisisbeheer en kruistocht zijn genoegzaam bekend. Balkenende moet de spanningen tussen zijn naar herkenbaarheid smachtende regeringspartijen verlagen zonder het parlement monddood te maken. Hij moet het beeldbuispubliek overtuigen van de zin van het burgerlijke ideaal van zelfredzaamheid en van de noodzaak van een lijst maatregelen die bij iedereen of bij diverse minderheden opvallend impopulair zijn, soms ook bij de loyale achterban van de regeringspartijen (verhoging collegegelden, afschaffing grijs kenteken). Hij moet blokkerings- en vermijdingsgedrag van ambtelijke diensten, gemeenten en zelfstandige bestuursorganen tegengaan, waaronder ook het heimelijke verzet van burgemeesters en wethouders van de PvdA. Hij moet de kans op verenigde frontvorming van sociale partners verkleinen. En hij moet verhinderen dat de bazen van grote kranten en omroepen hun bloedhonden op het Binnenhof uitlaten.

De bijzondere constellatie voor een volgende ronde van hervormingen van de verzorgingsstaat is misschien gunstiger in Nederland dan in het herenigde Duitsland en de andere grote Europese landen. Maar die constellatie is in het licht van Nederlandse ervaringen en gewoonten toch tamelijk gedrukt en instabiel. Het vertrouwen in politieke partijen is geslonken tot 27 procent (dat in grote bedrijven tot 30 procent, dat in de kerken tot 37 procent). Het wantrouwen van Nederlanders in het openbaar bestuur schommelt tussen dat van Oostenrijkers en Italianen, niet bepaald volkeren met een fijne verhouding tot hun eigen staat. Het overgebleven vertrouwen is ver verwijderd van het blakende vertrouwen van Luxemburgers en Ieren. Als de Fortuyn-effecten en de ontluisterende parlementaire onderzoeken van de laatste tijd doorwerken (Srebrenica, bouwfraude, Betuwelijn), dan mag worden aangenomen dat het Nederlandse geloof in de eigen gemeenschap en overheid intussen verder is geslonken.

De belangrijke Nederlandse kwestie is nu het afnemend vermogen van de regering om haar burgers in beweging te brengen. Aan de ene kant werken overheden steeds vaker samen op een Europese en mondiale schaal van bestuur, zoals ze op nationale schaal al veel langer samenwerkten met machtige belangengroepen. Aan de andere kant worden gekozen politici die dit soort bestuurlijke netwerken opbouwen steeds kritischer gevolgd door de kiezers: er is meer mondigheid, verscheidenheid in vormen van collectieve actie en vrije openbaarheid dan ooit in de representatieve democratie.

Het gevolg is dat de nationale overheid ofwel niets tot stand brengt omdat de eigen bevolking onvoldoende betrokken is ofwel iets tot stand brengt dat door die bevolking onvoldoende wordt geapprecieerd. De nieuwe kwestie van democratische immobiliteit bracht de deelstaat Californië tot een bankroet en tot de verlosser Schwarzenegger. Bij ons komt de kwestie aan de oppervlakte in populisme, in een referendumbeweging (en plaatselijke raadplegingen die het volk op geen enkele manier tevreden stellen) en in de vreugdeloze cyclus van grootse projecten op het hoogste niveau en verloedering in de uitvoering daarvan op alle niveaus.

Balkenendes filosoof is de Amerikaanse socioloog en gemeenschapsdenker Amitai Etzioni. Etzioni heeft een duidelijke doctrine over democratisch leiderschap. Als de volgelingen er klaar voor zijn, moet een leider eenmalige kansen grijpen. Etzioni noemt het voorbeeld van Ben-Goerion, die in 1948 een zaaltje van twijfelende strijdmakkers overhaalde met het argument dat de Sovjet-Russische steun in de Veiligheidsraad voor een onafhankelijke staat Israël niet een tweede keer zou worden betuigd.

Als daarentegen de volgelingen bang zijn en dreigen weg te lopen (zoals Nederlanders bij een geopperde verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd), dan moet de staatsman een gespreksleider worden. Hij dient voor te gaan in een `megaloog' waarin het gesprek over macht en sturing van de machthebbers in Washington, Brussel en Den Haag wordt verbonden met het gesprek over moraal en recht in de huiskamers van de burgers. Een megaloog is dus een intercultureel beraad – volgens bepaalde democratische spelregels, zoals een verbod op demonisering. Etzioni meent dat Republikeinse radicalen in de Amerikaanse media en campagnes de openbare sfeer aldaar zo hebben vergiftigd dat een megaloog onhaalbaar is geworden. In kleine Westerse democratieën als Nederland zou een experimenterende leider als Balkenende nog wel een geslaagde megaloog over de morele en materiële malaise op touw kunnen zetten, denkt hij.

Etzioni's beroep op politici in het Europese midden is aardig maar ook een beetje onwetend. Er is inderdaad een dubbel gemeenschapstekort, in Nederland en in Europa. Toch houdt Balkenende grote moeite om de inzet van zijn ethisch reveil over het voetlicht te krijgen. In Nederland zeggen de theoretici van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid dit: kan de politicus asociale praktijken in de samenleving aanpakken door de waarden en normen van één bepaald volksdeel (het christelijke deel) op te leggen aan de asocialen (zeg bendes van Marokkaanse jongens) zonder in strijd te komen met het idee van een onpartijdige rechtsstaat die zich niet bemoeit met de moraal van burgers? De praktijkmensen in de kwartaire sector van de grote steden zijn veel positiever over Balkenendes kruistocht. Zonder een ethische politiek valt het gevecht tegen segregatie en agressief optreden gewoon niet te winnen. Maar ze worstelen met dagelijkse overbelasting van leiding en personeel en ze vragen zich af: wat doet Balkenende met zijn mooie verhalen op zondag aan de beteugeling van publieke schraalheid te midden van private weelde door de week?

Ook in de Europese hoofdsteden zijn pertinente vragen gerezen over Balkenendes waarden en normen. We hebben toch al Kopenhagen-maatstaven voor de beslissing over toetreding van nieuwe lidstaten en uitsluiting van oude? We hebben toch al lessen getrokken uit de oostelijke uitbreiding en de Haider-boycot? En we hebben nu toch een ontwerp-Grondwet, dankzij de Belg Verhofstadt en de Fransman Giscard? Het besluit om die Grondwet voor te leggen aan onze boze kiezers, is toch een reden voor open partijpolitieke contestatie en niet voor vrijblijvende mijmering over de moraal van de goede Europeaan?

Zelfs als Lodewijk de Waal van FNV Bondgenoten ongelijk zou krijgen en Balkenende straks toch de praktische verbeeldingskracht en buigzaamheid zou tonen waarmee antirevolutionaire polderbeheerders als wijlen Jan de Koning groot werden, dan resteert er toch nog een levensgroot gezagsprobleem. Het is in het tweede jaar van zijn kabinet nog steeds onbekend of deze gelovige, toegankelijke maar ook onhandige en licht timide man beschikt over het charisma, de retorische vaardigheid en het inlevingsvermogen om het land uit een impasse te halen en met zijn toekomstperspectief de onoverzichtelijkheid te doorbreken.

De ploeg van Balkenende vraagt enorm veel van de samenleving. Maar voor een waardevolle weerklank is meer nodig dan een vrome volzin hierover in de troonrede. De betrokken regeringspartijen dienen zelf het goede voorbeeld geven en over de schaduw van hun eigen politieke taboes heen te springen. Het CDA onderschrijft het nut van taal, liefde voor de Grondwet en geschiedenisles in een immigratieland tegen wil en dank. Maar het brengt nog niet de moed op om beter naar Hirsi Ali te luisteren en de ontluikende cultus van ressentiment en geloofsdwang onder Nederlandse moslims met een onderwijs- en cultuurpolitiek te bestrijden.

De VVD verwart liberalisering (welvaartsverhogend) met commercialisering (verspillend). Het haaienmodel van het Amerikaanse neokapitalisme is goed voor de graaiers maar slecht voor de prestaties, zoals de bedrijfskundige Donald Kalff onlangs ten overvloede liet zien. Het haaienmodel heeft het gezag en de mores van onze ondernemers, onze advocaten, onze journalisten en nog enkele andere inhalige vrije beroepen al tot een bedenkelijk minimum teruggebracht. De institutionele ellende is niet meer te overzien, als we een doorgeschoten model van marktwerking en bedrijfsvoering in zijn neergaande fase ook nog eens gaan toepassen op het werk van hoge ambtenaren en wetenschappelijke onderzoekers (prestatiebeloning in plaats van ambachtelijke gedragscode in de hele publieke sector).

D66 zou bij haar 40-jarige jubileum moeten toegeven dat de Nederlandse politiek niet worstelt met een kloof tussen gekozenen en kiezers maar met een gebrek aan kwaliteit van onze politieke en bestuurlijke bovenlaag. De hedendaagse elites zijn slechter dan de vroegere elites als het aankomt op interne selectie, onderling tegenwicht en verantwoordingsethiek. Rechtstreeks gekozen gezagsdragers, zoals burgemeesters, zijn niet aantoonbaar beter dan gezagsdragers die door een nieuw gekozen vertegenwoordigend orgaan worden aangewezen. Gelooft D66 dat een gekozen premier Cruijff werkelijk superieur zou zijn aan een aangewezen premier Balkenende of Bos, ook als we de grotere levenswijsheid van de voetballer uit Betondorp in acht nemen?

Ik ga niet voorspellen welke onderhandelaars, politieke verenigingen en lagen van de bevolking straks krachtiger of weerlozer uit de herfst komen. Ik concludeer wel dat de beleidsplannen breekbaarder zijn dan de flinke taal waarin ze gesteld zijn ons wil doen geloven. Het eerste paarse kabinet kwam tot leven buiten de Trêveszaal toen het ging tornen aan winkelsluiting en zondagsrust. Precies zo zou het kabinet-Balkenende II zijn eigen geloofwaardigheid en doeltreffendheid aanzienlijk vergroten als het symbolisch laat zien dat het de algemeen levende bezwaren tegen de `oude' politiek deelt.

Stop de Betuwelijn, verbied het hoofddoekje in het klaslokaal, verhoog het toptarief van de inkomstenbelasting en ontneem het Nederlanderschap aan miljonairs in Brasschaat. Kortom, doe iets wat zonder twijfel controverse oproept maar wat in één klap duidelijk maakt wat de premier voorheeft met het Nederlandse gemenebest.

Jos de Beus is hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Amsterdam

    • Jos de Beus