Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

Op het platteland bouwen we. Twintig metselaars zijn de kelder aan het metselen. Behalve de voormannen zijn het bijna allemaal zigeuners. De muur stijgt in stug tempo. De overvloed aan mankracht en het gesleep met oude grote stenen: het is een beetje alsof ik naar m'n piramide kom kijken. De helft van de werklui houdt op met werken en gaat staan staren naar hoe ik met de aannemer overleg.

Ik zeg de aannemer dat hij ons de veranderingen maar moet e-mailen. Hij zal het proberen. ,,Hoezo proberen? Doet de e-mail het niet?'' ,,Nee, het is de allereerste keer dat iemand ons vraagt te e-mailen.'' Boedapest heeft zo'n beetje de beruchtste hackers en virusproducers van de wereld, maar in Somogye doet zelfs de grootste aannemer van de provincie niet aan internet. Voordat het begint te schemeren, vertrekken we naar Pest.

Middenin de velden is de weg geblokkeerd door politieauto's met blauwe zwaailichten. De oogstmaanden eisen vanoudsher de meeste verkeersdoden. De overvloed aan vruchten die tot pálinka gestookt kunnen worden, de soepeler uitbetaling van lonen en de af en aan rijdende tractoren en combines op de openbare weg vormen een fatale combinatie. Groepjes mensen lopen langs de weg. Reizigers zijn uit de bus gelaten om verder hun weg naar huis zelf te zoeken. De zon staat gevaarlijk laag. Enkele auto's hobbelen langzaam door de berm. Ik draai van de weg af en kies het hoge gras. Tegen een boom staat een wrak met verbrijzelde ramen en ingedeukt dak. De kofferbak zit onder de plenzen bloed met in het midden een grote donkerrode vlek.

Een kilometer verder is er de mogelijkheid de weg weer op te gaan. Na twintig minuten begint de auto te horten en te stoten. Als er geen tegenliggers zijn, doe ik de koplampen uit, deze weg heb ik al honderd keer gereden. De accu wordt misschien niet opgeladen. In Kapolypuszta begeeft de auto het. Met een slakkengang halen we de lokale kocsma. Het is als volgt: je hebt dorpen met niets, dorpen met een bushalte, dorpen met een bushalte én een kocsma, dat wil zeggen een schaars verlicht hol waar de alcoholisten terecht kunnen. Het volgende in de rangorde is: bushalte, kocsma én kerk, dan wordt het al echt wat. Als er dan ook nog een winkel is, hoort er vrijwel zeker een burgemeester bij. Bijna ieder gehucht in Hongarije heeft een gekozen burgemeester, die moet zorgen dat het dorp, hoe klein ook, een vuilafhaaldienst heeft, scholen, busverbindingen, elektriciteit, dat de wegen in orde zijn, etc. Als referentiekader heb ik ons eigen dorp en daar is vrijwel niets geregeld terwijl de burgemeester, een halve zool in een geel trainingspak, de godganse dag metselt aan zijn huis – het enige huis in het dorp met twee verdiepingen.

De groep mannen voor de kocsma schreeuwt en wijst naar de onderkant van de auto. Het is inmiddels donker geworden. Ik stap uit. Een oranje gloed die de hele omgeving verlicht straalt vanonder de auto uit. Ik pak mijn fototoestel, hurk en maak een foto. Het ziet er spacy uit, alsof hij ieder moment kan opstijgen. De mannen vertellen ons uitgebreid dat er een garage in het dorp is, leggen ook precies uit waar die is – alleen repareren ze daar uitsluitend trucks.

,,Wat zullen we doen?'' vraagt László, mijn müszaki ellenör, die mij gewoonlijk zegt wat te doen. We zijn nog honderdveertig kilometer van Boedapest in een dorp mét kocsma maar zonder kerk. Het is acht uur 's avonds en taxi's hebben ze hier niet. Niet ver hier vandaan ben ik met een andere László (de helft van de mannen heet hier László) al eens in een dorpje zonder kocsma middenin de nacht in de modder vast komen te zitten met een bestelbus en toen moesten we in het pikkedonker begeleid door hysterisch blaffende honden op zoek naar een tractor. Iedereen gaat om negen uur slapen. Dit probleem vraagt een adequate oplossing.

,,Laten we gaan eten'', zeg ik, ,,dan bel ik László.'' Deze andere László is mijn fixer, hij fikst praktische problemen. Ik pak mijn leren tas uit de auto. We wandelen richting het volgende dorp, mijn müszaki ellenör en ik. Ik voel me een beetje een consoglieri. De mannen die voor de kocsma staan denken zeker dat de tas vol met bankbiljetten zit. Ik kijk om naar de blauwe Volkswagen Sharan, de omtrek glimt in het gele licht van de kocsma. God, wat haat ik die auto. Ik betreur het dat ik niet een afstandsbediening in mijn hand heb waarmee ik het ding kan laten exploderen.

De fixer zal ons komen halen. In Gámas vinden we een verlaten tent met Dreher-bierlampen langs de muur. Ze hebben eten. Een lief zigeunermeisje bedient ons. Ze heeft een donkere vlek in haar nek. Ik kan niet zien of het een tatoeage is of iets aangeborens en ik wil niet te veel staren. De müszaki ellenör wordt verliefd op haar totdat er een dode vlieg in zijn warme chocolademelk drijft.

Terwijl we wachten, praat hij me bij over olympisch hamerslingeraar Annus Adrián die zijn gouden medaile niet wil inleveren en met de onschuld van een misdienaar in alle Hongaarse talkshows opdraaft. In de helverlichte lege zaal overvalt vrees voor de dood en blijdschap nog te leven me als ik aan die kofferbak denk. De müszaki ellenör stort zich op de nöckerli – je gewicht op 120 kilo houden is hard werken.