Het nieuws van 25 september 2004

Van Oorschot (2)

Hoe is het mogelijk dat Van Oorschot, als voorzitter van het College van Bestuur een universiteit, serieus denkt dat wetenschap en maatschappij gebaat zijn bij meer geloof en religie. (W&O, 12 sept.) Een roep om geloof en religie te betrekken in de wetenschap is vergelijkbaar met een oproep aan alle artsen om geneeskunde te bedrijven vanuit de homeopathische beginselen. Religie en wetenschap staan per definitie op gespannen voet met elkaar. Gaat het in wetenschap om onbevangen onderzoek, bij geloof en religie wordt altijd geredeneerd vanuit een vooringenomen standpunt. Galilei werd bijna gedood omdat zijn ontdekkingen niet pasten binnen het religieuze kader van die tijd. Denken vanuit een religieus standpunt kan niet ruimer zijn dan het onderliggend dogma toelaat en geschiedt dus met oogkleppen. Daarom is in feite een universiteit op religieuze basis al een contradictio in terminis. Dat valt minder op als bèta-studies buitengesloten worden, zoals van Oorschot dan ook wil. Maar ook buiten de bèta-studies is religie geen goede basis om wetenschap te bedrijven. Iemand die heilig in kabouters en elfjes gelooft kan nooit onbevangen een studie aan sprookjes wijden. Andersom kan een atheïst uitstekend theologisch onderzoek doen. Meer religie in de samenleving is evenzo verwerpelijk. De geschiedenis leert wat religie met samenlevingen doet: polariseren en abject gedrag legitimeren. Religie maakt immers lange tenen. Zo zullen religieuze mensen zich al gekwetst kunnen voelen door mijn bovengenoemde vergelijking tussen enerzijds geloven in een God en engelen en anderzijds geloven in kabouters en elfjes. Religie maakt tenen zo lang dat ze niet te ontwijken zijn. De vele conflicten die daaruit resulteren staan dagelijks in de krant en zijn te vinden in geschiedenisboeken. Van Oorschot stelt dat het ontkennen van geloof als drijvende kracht improductief is. Het is andersom: geloof is in de wetenschap juist contraproductief en in de maatschappij zelfs destructief.

De Broncode

Herbert Blankesteijn probeert in de wetenschapsbijlage van zaterdag 18 september antwoord te geven op de vraag of Jan Sloot een werelduitvinding had gedaan. Je merkt al snel dat hij zich ergert dat hij het antwoord – of ten minste een `educated guess' – niet in mijn boek De Broncode terug heeft kunnen vinden. `Check het niet kapot, Eric,' laat hij een denkbeeldige hoofdredacteur zeggen die op het zelfde moment in een bureaulade naar sigaren tast en een vriendin in bedwang probeert te houden. Blankesteijn doet maar, hij is een tikkeltje verbeten maar naar iemand die ook met goede argumenten komt, zal ik altijd luisteren. Helaas, Blankesteijn laat niet alleen zien hij niet helemaal begrijpt wat een journalistieke reconstructie is, hij toont ook nog eens aan dat hij een slecht lezer is. De nullentjes en eentjes-expert van `NRC Handelsblad' schrijft dat hij in mijn boek de `analyse' mist die duidelijkheid verschaft over het realistische gehalte van de uitvinding van Jan Sloot. Om te beginnen: in een reconstructie is de analyse geen dwingende noodzakelijkheid. Het tegendeel is waar, durf ik te stellen. Gebruik makend van enkele verhaaltechnieken heb ik getracht de gebeurtenissen zo feitelijk mogelijk weer te geven zonder me daarbij aan interpretaties te bezondigen. Die laat ik liever aan de lezer over. Desalniettemin zal het de oplettende lezer onmiddellijk zijn opgevallen dat ik betreffende de `echtheid' van de uitvinding meerdere duidelijke handreikingen geef. In de literatuurlijst staat bijvoorbeeld het boek `Feynman lectures on computation' van de niet geheel onbekende natuurkundige Richard P. Feynman vermeld. Hoofdstuk 1 begint met een citaat van deze man. Wie het boek van Feynman leest zal begrijpen dat Sloot een onmogelijke uitvinding heeft gedaan. Dat beschrijf ik dan ook vele malen in mijn boek. (in de epiloog noem ik met name Claude E. Shannon, de wiskundige die 56 jaar geleden een tot op heden onweerlegde theorie over compressie op papier zette) In een bijlage laat ik Jan Sloot zelf aan het woord over zijn uitvinding en daar valt veel uit op te maken (zelfs voor Blankesteijn). Wat Blankesteijn geheel over het hoofd ziet (wil zien) is dat ik in bijlage 4 (pag. 293) een artikel plaatste uit het Technisch Weekblad. Daarin legt professor Jan Biemond – expert op het gebied van compressietechnologie – in detail uit waarom de uitvinding van Sloot onmogelijk is. Biemonds conclusie gaat zelfs beduidend verder dan Blankesteijns zwak onderbouwde eindoordeel dat `de meest plausibele mogelijkheid is dat de uitvinding niet werkte'.