Wat te doen met de wereld?

In Een verhaal dat het leven moet veranderen veegt Hans Goedkoop een flink deel van de Nederlandse literaire kritiek van tafel. Ten eerste omdat het gros van de recensenten zich te weinig bij hun leest zou houden: in plaats van het vellen van onafhankelijke oordelen maakt men schrijversinterviews of zit men in jury's en redacties. Goedkoops tweede klacht is dat de kritiek het verband tussen literatuur en buitenwereld te veel uit het oog is verloren. De echte criticus onderscheidt zich in zoverre van de `corveedraaier', dat hij nooit nalaat te vragen naar de relatie met de werkelijkheid. Dat verwijt is interessanter, want een uitvloeisel van de vraag waar het in deze essaybundel om gaat: kan literatuur helpen `onze wereld vorm te geven'?

De literatuur heeft zich uit de wereld teruggetrokken en bevindt zich in een moreel en emotioneel vacuüm. Goedkoop, recensent van NRC Handelsblad, gaat op zoek naar romans die zich uit die leegte trachten te werken en een `nieuwe wisselwerking' nastreven met de wereld buiten. Daarbij schrikt hij niet terug voor het triviale: behalve Frans Kellendonk en Peter Verhelst komen ook Ronald Giphart en de televisieshow All you need is love aan de orde.

In prachtige stukken waarin het oordeel steeds wordt uitgesteld en de argumentatie hernomen (`Zo lijkt het althans', `Maar lees je nog eens goed', `misschien toch iets te haastig' zijn typische Goedkoop-zinnetjes) gaat hij na welke romans de vraag stellen `hoe je zou moeten omgaan met die wereld. Hoe je daar nog een ervaring van zou kunnen krijgen. Hoe je er opnieuw een samenhang in zou kunnen ontdekken en er, komende vanuit de cul-de-sac van het door en door geïndividualiseerde leven toch weer een plek in zou kunnen veroveren'. En die vraag brengt ons vanzelf weer terug bij de recensent. Want die gaat de werkelijke ervaring uit de weg en is meegevlucht in de verbeelding, en dat leverde critici op die door Goedkoop worden aangeduid als de `Bange mannen'. In reactie op al die `gestolde levensangst' wil Goedkoop een soort kritiek die het `ik ik ik' voorop stelt. Want wie de literatuur wil lezen in betrekking tot de wereld, kan alleen maar lezen met betrekking op zijn eigen wereld, en dus op zichzelf.

Dat is waar Goedkoop voor pleit, maar waarvan hij tegelijk laat zien dat het op een debacle kan uitlopen. Want Een verhaal dat het leven moet veranderen besluit met de bekentenis dat Goedkoop zelf terechtkwam in een impasse waarin lezen en vooral schrijven voor hem onmogelijk werd. Omdat het bestaan van criticus niet het luizenleventje was dat het leek en hij eenvoudig overspannen werd, maar vooral omdat hij vergat de `werkelijke ervaringen' die hij in boeken opdeed toe te passen in zijn eigen bestaan: `Je zult drie keer moeten ademhalen en, heel simpel eigenlijk, de pen neerleggen'.

Een mooi persoonlijk sluitstuk, maar we blijven met een vraag zitten: wat betekent dat voor de kritiek én de literatuur die Goedkoop voor zich ziet? Is die niet onmogelijk gebleken? Al vroeg in het boek kondigt het dilemma zich aan, wanneer Goedkoop na een essay over Frans Kellendonk met een zekere onvrede blijft zitten. `Wat moet er dan gebeuren?' vraagt hij zich af over diens wereldbeeld. Waarom maakt Kellendonk na zijn briljante analyse van het lege hart van onze schepping `de grote sprong naar buiten' niet? Het antwoord geeft Goedkoop zelf in zijn laatste regel van zijn boek: die sprong kan je pas daadwerkelijk maken als je stopt met schrijven. En betekent dát niet dat noch de literatuur, noch de kritiek uiteindelijk kan doen wat Goedkoop ervan verlangt: het leven veranderen?

Precies de tegenovergestelde beweging maakt Hugo Bousset in De geuren van het verwerpelijke. Bousset, hoogleraar Nederlandse letterkunde in Brussel, verwijst bij zijn interpretaties juist steeds dieper de literatuur in. Als de wereldproblematiek aan de orde komt bij een schrijver als Peter Verhelst, is dat voor Bousset `wrakhout' dat meedrijft op het verhaal: `Alleen die romans zijn het lezen waard waarin de wereld overboord is gezet en er niets meer gebeurt. Zelfs de schrijver lijkt eruit verdwenen'.

Zoals te verwachten met twee zulke uiteenlopende literatuuropvattingen, komen ze tot diametraal tegengestelde conclusies. Bijvoorbeeld over het werk van Thomas Rosenboom: `een vorm van amusement', besluit Goedkoop na veel wikken en wegen. Bousset concludeert juist dat Rosenbooms romans het Kwade laten `woekeren' en dat doet de geest `naar omlaag razen en op de bodem blijven liggen in een nieuw verband'.

Bousset doet alles wat Goedkoop afwijst in de kritiek: strooien met citaten, theoretiseren, de nadruk leggen op de stijl van een boek en niet op de inhoud en een voorkeur vertonen voor literatuur die zich ver van de wereld ophoudt: in Goedkoops termen is Bousset typisch `een bange man'. Hoewel Bousset meestal schrijft over het soort literatuur waarbij de lezer zelf actief aan het werk moet om een betekenis tot stand te brengen (Hertmans, Verhelst, Kessels) staat hij aan de zijlijn, blijkens de laatste woorden van zijn boek: `Ik applaudisseer geluidloos'.

Zelfs wanneer hijzelf een verband legt tussen romans en kunstwerken krijgt dat verband de status van een illustratie in plaats van een persoonlijke interpretatie. Zoals de foto van een echtpaar, `After the Quarrel'. In de korte verklaring die Bousset erbij geeft, stelt hij dat de foto hem deed denken aan Jonathans Franzens The Corrections. Dat verbaast ons niets, en het is een mooie foto, van Jeff Wall, maar hij voegt niets toe aan de genadeloze ontleding van het gezin die Franzen zelf in zijn roman uitvoerde.

De verbanden zullen met opzet zo onnadrukkelijk zijn gehouden, om de literatuur niet in een theoretisch of artistiek keurslijf te wringen. Voor Bousset moet de kritiek, in de woorden van Blanchot, slechts een `resonantieruimte' zijn `waarin voor een ogenblik het mysterie van de roman weerklinkt'. Het gevaar daarvan is dat de kritiek niet meer dan een holle echo van het origineel wordt.

Ook in hun werkwijze maken Bousset en Goedkoop dus een tegenovergestelde beweging. De Vlaamse hoogleraar lijkt hoog in te zetten, met zijn theorie en knappe structuuranalyses, maar blijkt te bescheiden. De Hollandse criticus lijkt bescheiden, met al zijn welwillendheid en voorzichtigheid, maar blijkt vernietigend in zijn oordeel over zowel de Nederlandse literatuur áls de kritiek.

Hugo Bousset: De geuren van het verwerpelijke. Essays. Meulenhoff, 200 blz. €19,50

Hans Goedkoop: Een verhaal dat het leven moet veranderen. Augustus, 287 blz. €17,95

    • Yra van Dijk