Vooruit met de koe (Gerectificeerd)

Een volksversie van Dantes `Inferno' moest het worden, een boek vol viezigheid, ontberingen en ellende. Larry McMurtry's cowboy-epos `Lonesome Dove' werd geen ontmythologisering van de western. Het werd een deel van de mythe.

Aan de westkant van de Missouri begint Amerika langzaam maar zeker te klimmen. Nauwelijks merkbaar en met het blote oog meestal niet te zien, kruipt het continent omhoog. Van de rollende grasheuvels bij Pierre tot aan de Rocky Mountains is het één lange uphill struggle, over een boomloos land dat soms zo plat lijkt als een biljartlaken – en toch tegenwerkt.

Voor de landverhuizers die in de negentiende eeuw naar het Westen trokken was die tocht door de `Grote Amerikaanse Woestijn' een moeizame, deprimerende ervaring. Het eentonige landschap en de golvende grasvelden gaven hun een soort zeeziekte. Voor moderne reizigers zijn de meeste staten tussen de Mississippi en de Rockies fly-overs: en als je uit je raampje omlaag kijkt, naar die troosteloos bruinige lappendeken, begrijp je waarom.

Toch is het dit prozaïsche Amerika waar de mythe van de frontier en het wilde Westen naar verwijzen. Hier baanden stijfkoppige individualisten zich dwars door bizons, indianen, sneeuw- en zandstormen en ander ongemak een weg naar de beschaving, althans volgens de mythe. Het is een mythe die nu al langer dan een eeuw succesvol wordt uitgevent, ook al gebeurt dat meestal niet meer met cowboyhoeden op maar met helden in strakke Star Wars-trappelpakjes. Een mythe die diep in de Amerikaanse psyche staat gegrift, hoe hard nieuwe generaties historici ook roepen dat het Westen eerder werd veroverd met een dwangbevel dan met een revolver; dat de onderwerping van de indianen het midden hield tussen etnische zuivering en genocide; dat de onnafhankelijke westerner in feite teert op belastinggeld en federale subsidies; of dat in staten als Zuid-Dakota de achterkleinkinderen van al die heldhaftige kolonisten failliet gaan, verkassen of achter een looprek het grote blanke bejaardentehuis binnenschuifelen. Het helpt allemaal niet. Eén blik op de president, handen op de heupen op zijn boerderij in Texas, zegt méér.

Historici is het dus niet gelukt om de mythische kalklagen van dit Westen af te krabben. Filmers en schrijvers evenmin. De meeste zogenaamde alternatieve westerns als Clint Eastwoods Unforgiven over een revolverheld-op-leeftijd bevestigen altijd opnieuw wat ze willen ontkennen: ook Eastwood bezwijkt voor de mythe, wanneer zijn reumatische held William Munny in de apotheose alsnog verandert in de feilloze moordmachine die hij in zijn jonge jaren was.

De Texaanse schrijver Larry McMurtry heeft het ook geprobeerd. Hij schreef de roman Lonesome Dove, over de cattle drive van twee oude Texas Rangers naar Montana. En dacht dat hij met varkens en viezigheid, ontberingen en hoerenloperij in dat boek een ontmythologiserend werk had afgeleverd. De roman begint in het snikhete gat Lonesome Dove aan de Texaans-Mexicaanse grens en de eerste gesproken woorden in het boek zijn: ,,Rot op, varkens'. Dat zet de toon voor een tergend trage vertelling over een zooitje misbaksels die zo lijken weggelopen uit een schilderij van Jeroen Bosch. Ze drijven een uit Mexico gestolen kudde vee naar Montana. Onderweg krepeert de een na de ander, bijna alles loopt slecht af, en het eindigt allemaal met een lange reis terug met het lijk van een van de Rangers naar Lonesome Dove, waar de enige plek van vertier in brand blijkt te zijn gestoken door de eigenaar, uit liefdesverdriet. De laatste gesproken woorden: ,,Ze zeggen dat hij die hoer miste.'

McMurtry, die een respectabele staat van dienst heeft als essayist over Texas, dacht dat hij tevreden kon zijn met deze prozaïsche `volksversie van Dantes Inferno', zoals hij het noemde. Maar nee. Hij bleek alleen maar een hoofdstuk te hebben toegevoegd aan De Mythe. Lonesome Dove won een Pulitzer Prijs, werd verbouwd tot een succesvolle tv-serie (`De beste western aller tijden!') en is nu veertig keer herdrukt. McMurtry wordt in zijn antiquarische boekhandel in het stoffige Archer City nog steeds opgezocht door toeristen en handtekeningenjagers (er hangt inmiddels een briefje: `Larry signeert geen boeken meer, wegens slijtage'). In plaats van een Inferno voor de gewone man, bleek hij een Gone With The Wind voor het Westen te hebben geschreven – en die ironische omkering bood stof tot nadenken, vond de schrijver zelf. Hij schreef daarna (en na een totale ineenstorting in 1991) nog drie delen van de `saga' (Streets Of Laredo, Dead Man's Walk en Comanche Moon) maar geen enkele haalde het niveau, of het succes, van het epische origineel.

De heroïek van dat origineel is eigenlijk niet meer dan die lange Amerikaanse klimtocht heuvelopwaarts, van de bruine vlaktes van Zuid-Texas naar de groene heuvels van Montana. Een stelletje ouwe kerels op paarden met een kudde koeien – het blijven onwaarschijnlijke nazaten van Odysseus. De cattle drive, het massaal aanleveren van wandelende biefstuk voor de slachterijen in Chicago, is hooguit een prozaïsche, geseculariseerde odyssee. De heldhaftigheid zit hem niet in het trotseren van monsters of metafysische uitdagingen, maar domweg in het overbruggen van geografische afstand ten bate van de vleesindustrie.

Daar was niet veel romantisch aan. Weliswaar koesterden de direct betrokkenen – meestal arme Zuiderlingen van rond de twintig – een optimistisch zelfbeeld als dappere `jongens van het vrije leven', maar voor de rest van de Amerikanen, zeker voor de burgerij van de stadjes waar ze met hun kuddes doorheen trokken, waren cowboys vooral overlast veroorzakende zwerfjongeren.

Hoe zijn die puistige koeienknullen dan ooit de helden van dat grote groene biljartlaken geworden?

Alles veranderde met The Virginian. A Horseman Of The Plains (1902) van Owen Wister, een roman voor de stadsburgerij die de koeiendrijvers opwaardeerde tot ridders van de blanke, protestantse beschaving. Wister maakte school in een angstige tijd vol zorgen over de immigratie van katholieke Polen en Italianen, die het Angelsaksische Amerika zouden ondermijnen. De dappere blanke cowboy bood uitkomst, in een versie met smetvrees: `de man uit Virginia' reed namelijk wel veel over prairies, maar koeien lopen daar nauwelijks rond. Ze ontbreken ook in de meeste revolverhelden-pulp die na The Virginian de markt overspoelde.

Met Lonesome Dove schreef McMurtry de koeien terug in de cowboyroman, ook al blijven ze een bijrol spelen. Maar als loeiende, bruin-rode massa bieden ze een mooi decor voor de rauwe belevenissen van de oude ex-Texas Rangers Woodrow Calle en Augustus McCrae, die met de tocht naar Montana eindelijk fortuin hopen te maken. Onderweg bevechten ze het weer, de stropersbende van `Blue Duck' en hangen ze een stel moordlustige paardendieven op. Eenmaal in Montana loopt de levensgenieter McCrae eindelijk tegen wat pech op. Hij raakt zwaargewond en bezwijkt, waarna de stugge Call met het lijk van zijn vriend terugreist naar Texas om het te begraven. Een rode draad zijn ook de Frauengeschichte, want behalve de koeien haalde McMurtry ook de vrouwen terug in de western. Lonesome Dove beschrijft weliswaar een mannenwereld, maar dan toch een intens gefrustreerde: iedereen (behalve versierder McCrae en autist Call, die elkaar natuurlijk al hebben) wil trouwen. Dat lukt niet, want geen koppel klikt en Lonesome Dove is behalve een cowboyboek ook een onheroïsch verslag van mislukte liefdes.

Hoeveel delen romantiek en historie gaan er in deze stoofpot?

Voor het cowboyleven en de drijftocht – prairievariant van `de grote vaart'– heeft McMurtry zich gebaseerd op degelijke bronnen, maar zonder de historische figuren die in zijn latere westerns rondwandelen (rechter Roy Bean, moordenaar John Wesley Hardin en rancher Charles Goodnight in Streets Of Laredo). De grote drijftochten uit Texas hadden plaats van 1867 (35.000 stuks vee) tot 1881 (250.000) met een hoogtepunt in 1871 (600.000). Lonesome Dove speelt aan het begin van die periode, en volgt grotendeels de historische route van de `Chisholm Trail' door Texas en Oklahoma, en de `Goodnight-Loving Trail', linksaf over de Red River, en omhoog naar Nebraska en Wyoming. Elementen uit het boek zijn te herleiden tot bronnen als de autobiografie We Pointed Them North (1939) van cowboy `Teddy Blue' Abbott, een kleine klassieker. McMurtry put daaruit voor grappen over Texaanse cowboys, die zich afvragen hoe ver `het Noorden' is, alsof het geen richting is maar een plaats. En ook de boeren die bij McMurtry door bandieten worden vermoord, opgehangen en verbrand, komen uit de herinneringen van Abbott (die het incident weer van horen zeggen had).

Maar McMurtry put ook uit de mythe. Zijn boek barst van de stereotypen (de bon vivant met een stil drama, het hoertje-met-het-hart-van-goud, de sukkel van een sheriff, het manwijf met de koekenpan, de dronken indianen, de trouwe neger). Tussen hen en de kitsch staan McMurtry's historisch bezonken compassie en zijn talent om goede dialogen te schrijven. Ook sommige plotlijnen en scènes zijn ontleend aan mythische cowboy-voorbeelden. Het meest `masculiene' moment in het boek bijvoorbeeld, wanneer Call en McCrae een viertal paardendieven opknopen, onder wie hun afgedwaalde makker Jake, is bijna een citaat uit The Virginian. Bij Wister gaat een vriend die aan de verkeerde kant van de wet is beland, schuldbewust en manmoedig de strop tegemoet (`Geen aanstellerij of laatste woorden, hij zei alleen maar vaarwel tegen de jongens toen we zijn paard naar de boom leidden'). Bij McMurtry neemt Jake na een hoop gespartel afscheid met de woorden: ,,Zit er maar niet over in, jongens [...] Ik word stukken liever door vrienden opgeknoopt dan door een zootje onbekenden.' Het gezelschap pinkt een traantje weg en, hup, daar bungelt Jake.

Twee heldenscènes, vol moraal en fatalisme. Het verschil is intussen – en daaraan kun je zien dat het revisionisme zijn werk toch gedaan heeft – dat bij Wister op de brave hoofdpersoon werkelijk niets aan te merken valt, terwijl McCrae en Call in Lonesome Dove op weg zijn met een kudde die ze nota bene zelf hebben gestolen uit Mexico. Maar ja, stelen van Mexicanen is geen stelen – daar heeft McMurtry de historie weer goed beet.

McMurtry's kracht, in Lonesome Dove en latere delen, is de laconieke gedachtewisseling – als zijn kurkdroge gesprekken die naam verdienen. Een persoonlijke favoriet-tegen-beter-weten-in is Streets of Laredo, een boek dat zo bol staat van de tempoverlagende herhalingen, dat je je afvraagt of dat de bedoeling is – om de trage levens in het boek van binnenuit te laten voelen – of een ongelukkig bijverschijnsel van McMurtry's geestelijke inzinking twee jaar eerder. En toch zijn ze soms weer raak. ,,Je moet dat pistool niet zo de hele tijd op scherp vasthouden', waarschuwt een adjudant-Texas Ranger de oude Roy Bean, die gewapend voor zijn saloon zit. ,,Voor je het weet, sukkel je in slaap en schiet je je knie eraf.' ,,Ja', antwoordt Roy Bean chagrijnig, ,,en voor je het weet, begint het hier hoeren te regenen – maar ik betwijfel het.'

Werkt zoiets in het Nederlands?

Nou, niet echt.

Kun je bijvoorbeeld de volgende dialoog in Lonesome Dove lezen zonder in de lach te schieten of aan Jiskefet te denken?

`Godsamme, wat heb ik 'n honger', zei Erwtoog. `Ik hoop wel dat Gus niet verdwaald is.'

`Als hij verdwaald is, weet ik niet hoe we aan onze koekjes moeten komen,' voegde hij eraan toe toen niemand reageerde.

`Je kunt altijd trouwen', zei Vaat droog. `D'r zijn vrouwen zat die koekjes kunnen bakken.'

Erwtoog was al vaker op deze bijzondere waarheid opmerkzaam gemaakt.

`Dat weet ik wel,' zei hij, `maar dat wil niet zeggen dat d'r vrouwen bij zijn die mij willen.'

Tja. In het Amerikaans klinkt het nog zo:

`By gosh, I could eat', Pea Eye said. `I sure hope Gus ain't lost.'

`If he's lost I don't know what we'll do for biscuits', he added, since nobody commented on his remark.

`You could always get married', Dish observed dryly. `There's plenty of women who can make biscuits.'

It was not the first time Pea had that particular truth pointed out to him. `I know there is', he said. `But that don't mean there's one of 'em that would have me.'

Erwtoog, Vaat, Blauwe Eend? Het blijven onbeholpen stoethaspels, maar in het Amerikaans zijn het tenminste geloofwáárdige onbeholpen stoethaspels. Het stoïcijnse cowboy-idioom houdt natuurlijk altijd iets Jiskefet-achtigs (`Aardige kerel, alleen praat-ie te veel', is het typische commentaar op een collega die bij het opstaan `môge' zegt). Maar in de vertaling van deze passage gaat te veel van die tong-in-de-wang humor verloren – nog afgezien van de kneuterige weergave van biscuits als `koekjes' (het zijn eerder loodzware broodkoeken).

De vertaler heeft helaas veel vaker moeite met het Amerikaanse cowboy-jargon. Als Gus McCrae de ergste van de paardendieven ophangt – een onverbeterlijke rotzak die zich niet verzoent met de strop maar tot het laatst zijn gal blijft spuwen – doet hij dat met de woorden: ,,If guff's all you can talk, go talk it to the devil'. De vertaler maakt van dat guff – wat slaat op kwetsende, grove taal, waarvoor je dus je mond moet gaan wassen met een stuk zeep – het platte `lulkoek', zélf een staaltje guff: ,,Als je alleen maar lulkoek kunt uitkramen, doe dat dan maar bij de duivel!'. Dat klinkt wel stoer, maar mist nu net de moralistische pointe. Gedraag je een beetje, zeg, daar aan de galg. Deze cowboys willen op zo'n moment niet stoer zijn, maar plechtig.

En wat dacht u van deze (de brigade heeft dorst): ,,Ik ben niet van plan om m'n eigen pis te drinken', zei Jasper. ,,En die van iemand anders ook niet.' ,,Dan heb je nog nooit echt dorst gehad', zei Po. ,,Ik heb een keer de urine van een muildier gedronken. Daar heb ik mijn leven mee gered.'

Het blijft dus tobben, of ten minste: stug doorlezen, proberen je gezicht in de plooi te houden en hopen dat het went. Want het levert je wel iets op. Waarom werd dit boek immers precies wat McMurtry dacht dat het niet zou worden: een ode aan de mythe? Hoe kon het verhaal van twee ouwe Texas Rangers – waarvan de vrolijke aan het begin whisky zit te hijsen op de veranda, en de norse voortdurend norse rondjes loopt rond de stal – hoe kon dat toch weer die mythe wakker roepen?

Een deel van het antwoord ligt voor de hand. Mits ambitieus genoeg opgezet, werkt het nog steeds, dat lint van koeien met stoffige mannen op paarden ernaast, ondanks alle special effects die er sindsdien uit Hollywood zijn gekomen. Gelardeerd met liefdesverdriet, geweld en tragiek, houdt de nationale mythe van de trektocht over de biljarttafel nog steeds de kracht van het avontuur. Maar er speelt meer: McMurtry's grote roman verscheen in 1985, onder de goedlachse patriot Ronald Reagan en krap een jaar na de Olympische Spelen in Los Angeles, dus op een moment van hersteld nationaal zelfvertrouwen en een opwaardering van mainstream America. Dat wil zeggen: van de simpele waarden van het Midden-Westen. De eenzame duif zeilde mee op de warme golfstroom van Reagans `ochtendgloren in Amerika'.

Het was dus precies de goede tijd om weer aan een hobbelende koeientocht te beginnen – en dan niet door jonge blagen die geen verstand hebben van hun eigen geschiedenis, maar door gerijpte mannen met baarden, vredestichters met een revolver bij de hand die weten wat er in de wereld te koop was voordat zij langskwamen: een hoop bandieten om op te knopen, en een stel indianen om, met het nodige halen en trekken, aan de kant te schuiven.

Lonesome Dove begint wanneer die opruimacties voor het grootste deel al achter de rug zijn, althans in Texas. De woeste Comanches zijn verjaagd, de staat is dankzij de Texas Rangers veilig gemaakt voor boeren, burgers en buitenlui, en de heren McCrae en Call drinken en lopen norse rondjes. De held die zichzelf overbodig maakt – het is een klassiek westerngegeven.

Maar deze twee bedenken op hun oude dag in plaats daarvan een krankzinnig plan: met hun koeien (pardon, andermans koeien) helemaal naar Montana, naar het Noorden waar de zaakjes nog niet zijn geregeld, het fortuin lonkt, en met een beetje geluk ook nog wat ongetemd schorem rondrijdt.

Kortom, de helden hernemen zich. Ze beginnen opnieuw from scratch – en dat is óók een klassiek Amerikaans gegeven.

Lonesome Dove herdefinieert de mythe niet, het is de mythe.

Larry McMurtry: Lonesome Dove. Een stadje in het Westen. Vertaald uit het Engels door Piet Verhagen. Met een voorwoord van Jan Donkers. Contact, 863 blz. €29,90

Rectificatie

Vertaling (1)

In de bespreking van Larry McMurtry's roman Lonesome Dove (Boeken, 24.09.04) stond door een vergissing niet vermeld dat de Nederlandse vertaling door Piet Verhagen voor het eerst verscheen in 1991.