Robotmuziek met neuzelige grafkelderzang bij Interpol

Er is geen ontkomen aan: Interpol lijkt op Joy Division. Dezelfde neuzelige grafkelderzang, dezelfde sombere sfeer, dezelfde onverzettelijke instrumentatie van dreunende bas en machinale gitaren. Hooguit voegt het New-Yorkse Interpol een wat pittiger ritme toe aan het 25 jaar oude voorbeeld van de Britse doemgroep, maar daar is alles mee gezegd.

Juist nu Interpol op het nieuwe, tweede album Antics enigszins lijkt te ontsnappen aan die veelgemaakte vergelijking, ademt Joy Divisons jonggestorven frontman Ian Curtis op het podium weer voluit in de nek van Interpols zanger Paul Banks. De toevoeging van een toetsenman heeft het hoekige jaren tachtig-geluid iets verder doen doorslaan in de richting van Human League en Killing Joke; invloeden die al bijna even ouderwets zijn voor een groep die zich los probeert te wringen uit het popverleden.

Interpop zit niet alleen vast aan het geluid van een kwart eeuw geleden; ook visueel lijken ze met hun strakke pakken en het oogverblindende witte strijklicht zo uit een editie van het tijdschrift Vinyl weggelopen. Blikvanger Carlos D, de bassist die net als Peter Hook een beetje beweging brengt in een verder statisch gezelschap, heeft het rigide Mensch Maschine-imago van Kraftwerk vervolmaakt door een schouderholster over zijn strakke rode overhemd met zwarte stropdas te gespen.

Uit disco, Krautrock en new wave boetseerde Interpol een soort robotmuziek die elke drie à vier minuten ophield, om even later weer in hetzelfde tempo te worden voortgezet. Na drie kwartier leek het alsof je al die tijd naar hetzelfde nummer had geluisterd, terwijl de zang een ijzig onpersoonlijke sfeer opriep. Zo'n concert valt al te makkelijk weg tegen de historische achtergrond, als grijze penseelstreken op een grijs schildersdoek.

Concert: Interpol. Gehoord: 23/9 Melkweg Max, Amsterdam.