Op zoek naar warmte

`De vlieger' is een van de bekendste liedjes van de gisteren overleden André Hazes. Een smartlap over een eenzaam kind, geschreven door een zanger die zelf nooit helemaal in de wereld is thuisgeraakt.

In de bundel Het sterreschip (1979) van Ida Gerhardt staat een kort gedicht over een kleine, onopvallende jongen. Het is een jongen die het liefst in zijn eentje speelt, ver weg op het strand. Het gedicht zegt niet waarom, maar dat laat zich raden: hij is dan het dichtst bij zijn vader, want die is overzee, `in dat andere land'. De jongen is onder vreemden, hij voelt zich ontheemd, `heimwee huist in zijn kleren en zijn haar'. En altijd hoopt hij dat zijn vader zal komen. Is het vandaag niet meer, dan wel `morgen, onverwacht'. Soms droomt hij van hem `en roept hem in de nacht'.

Ontroerend beeld, op het sentimentele af: een kleine jongen met heimwee in bed, in slaap of halfslaap, in de donkere nacht roepend om zijn verre vader. Je zou het gedicht een kleine smartlap kunnen noemen. En zoals bij alle smartlappen dient zich hier achter de bezongen smart ook nog een groter leed aan. Het staat er niet, maar vanzelf dringt zich de gedachte op dat vader niet echt overzee is, maar aan gene zijde, en dat de jongen nog heel lang tussen al die grote vreemde mensen zal moeten wachten voor hij vader weer zal zien.

Over zo'n soort jongen gaat het ook in `De vlieger' (1976) van André Hazes. Hij is acht jaar en hij heeft iets bedacht, maar wat? Zelfs zijn vader, die hier aan het woord is, weet niet precies wat de jongen van plan is. Het was hem al wel opgevallen dat hij niet meer naar zijn oude speelgoed omkeek. Bal, fiets en trein interesseerden hem niet meer. Hij wilde opeens een vlieger, maar waarom? Nu het goed vliegerweer is, is het de zoon die zijn vader mee naar buiten neemt. Hij loopt maar achter zijn daadkrachtige zoontje aan. Wat moet de jongen met die brief die hij ook in zijn handen heeft?

De jongen heeft de regie overgenomen en legt zijn vader nu uit: `Ik heb hier een brief voor mijn moeder'. Hij zegt niet `voor mama', maar `voor mijn moeder', alsof die man die daar nu naast hem staat niet zijn vader is, maar een toevallig passerende vreemdeling. En dan vertelt hij dat zij nu `hoog in de hemel is', alsof dat nog nieuws was voor die belangstellende meneer. Heel sterk: op het moment waarop de ontmoeting tussen moeder en zoon naderbij komt, wordt de afstand tussen vader en zoon juist vergroot.

Dan volgt de uiteenzetting van het in stilte bedachte kinderplan. Met een hoofdrol voor de vlieger: klein, frêle, licht, dapper ding hoog in de lucht, dicht bij de hemel, rukkend aan zijn touw om los en hogerop te komen. De ideale middelaar tussen jong en oud, laag en hoog, aarde en hemel, leven en dood. Als straks die vlieger hoog in de lucht staat, zal hij via het touw, met behulp van alleen maar de wind, een briefje omhoog sturen: naar zijn dode mama die ergens daarboven is en het briefje vast wel zal kunnen lezen als het helemaal in de hoogte is aangekomen.

Ontroerend hoogtepunt. Zuivere smartlap. Je ziet vader al met een mouw de tranen uit zijn ogen vegen. Hij weet niet dat het ergste dan nog moet komen. Wat zal die fijne knul van hem aan zijn moeder schrijven? `Hoeveel ik van haar hou.' Natuurlijk. De schat. Nog meer? `Dat ik niet kan wennen aan die andere vrouw.' Mokerslag. Vader, hand op de schouder, staat met zijn zoon naar die mooie nieuwe vlieger te kijken en hoort dan dat de jongen aan zijn overleden moeder gaat schrijven hoe ongelukkig hij is, nu zijn vader hertrouwd is met `die andere vrouw'. Dramatisch hoogtepunt. Nu zijn ze allebei ongelukkig.

Je hoort aan alles dat Hazes wist wat dat jongetje bij die vlieger en bij die brief aan zijn moeder voelde. Hij was het zelf: het eenzame kind, altijd op zoek naar verloren geraakte warmte, nooit helemaal in de wereld thuisgeraakt. Net als het kind uit het korte vers van Gerhardt. `Het woont bij vreemden en het went er niet.'

    • Guus Middag