Ontwikkelingshulp is Europese zaak

Europa moet met één stem spreken over ontwikkelingssamenwerking. Daartoe moeten de EU-lidstaten hun beleid meer op elkaar afstemmen, menen

Europa staat op een kruispunt in de verhouding met de rest van de wereld. De drastische en dramatische veranderingen van de laatste jaren in de wereld vragen daarom. Een ruimhartig, efficiënt en coherent Europees ontwikkelingsbeleid is daarom nodig, als onlosmakelijk onderdeel van het Europese buitenlands en veiligheidsbeleid. Tegenover de eenzijdige oplossingen die worden opgedrongen door het zich blindstaren op terrorismebestrijding, moet een alternatief Europees model worden aangeboden, waarin vrijheid, mensenrechten, rechtvaardigheid en duurzaamheid net zo belangrijk zijn als veiligheid.

Het helpt niet de grenzen te sluiten om de boze buitenwereld te vergeten. Er moet juist meer dan ooit aandacht besteed worden aan die buitenwereld. Armoede, uitsluiting en culturele verdrukking van mensen in ontwikkelingslanden staan aan de bron van veel van de huidige conflicten. Conflicten die hoe dan ook hun `uitstraling' hebben naar Nederland en Europa.

Europa moet een nieuwe weg inslaan: met één stem spreken op het terrein van buitenlands en ontwikkelingsbeleid, ondersteund door een krachtig en efficiënt apparaat. Een groter deel van de hulpbudgetten moet op Europees niveau worden gecoördineerd, het Europese ontwikkelingsbeleid en dat van de lidstaten moeten beter op elkaar worden afgestemd en de Europese hulp moet zich meer op de armere landen richten. De armste landen moeten meer handelsconcessies krijgen, en landen in het Zuiden die vluchtelingen opvangen meer steun.

Het alternatief – nu erg populair – is verbrokkeling of een kortzichtige aandacht voor de eigen belangen van de Europese lidstaten. De toenemende onderlinge afhankelijkheid die globalisering met zich meebrengt, maakt een Alleingang eenvoudigweg onmogelijk. De ratrace is niet te winnen, alle ratten zullen elkaar uiteindelijk opeten. Ook een gezamenlijk streven, gericht op Europees economisch voordeel of op de Europese veiligheidsbelangen, is te eenzijdig: ontwikkelingslanden leggen zich niet langer neer bij oneerlijke handelsafspraken.

Het beste antwoord is dus: een coherent en politiek verenigd Europa dat zich inspant voor de versterking van de internationale rechtsorde. We moeten bouwen aan wereldwijde organisatievormen die de rechten van de zwakkeren en de armen veel beter beschermen. Zo'n Europa kan als wereldmacht echt verschil maken.

Op dit moment heerst in Nederland niet alleen Euroscepsis, maar ook een groeiende vermoeidheid over de resultaten van ontwikkelingssamenwerking.

Er is inderdaad nog steeds kritiek mogelijk op het Europese ontwikkelingsbeleid. Een voorbeeld: van de tien landen die van de Europese Unie het meest ontwikkelingshulp krijgen, is er geen enkel land ten zuiden van de Sahara, terwijl juist daar heel goede mogelijkheden tot verbetering liggen en meer resultaten.

En die zijn ook al geboekt. Zo is er in 2001 een totaal herzien Europees ontwikkelingsbeleid gestart dat, net zoals Nederland al vele jaren doet, armoedebestrijding eindelijk centraal stelt.

Nu is het moment om een gezamenlijke Europese vuist te maken. De grote tegenstellingen binnen de Wereldhandelsorganisatie (WTO) vragen om een doortastend en vernieuwend Europees antwoord, dat de economische belangen van Europa weet te verzoenen met een idee van wereldwijde rechtvaardigheid. We moeten een nieuwe verhouding zoeken tot de naaste buren van de EU (Centraal-Azië, het Midden-Oosten en Noord-Afrika), zonder dat veiligheidskwesties de hulp aan verder gelegen landen verdringen. We moeten zorgen dat een nieuwe `Europese minister van Buitenlandse Zaken' voldoende gevoed wordt over het ontwikkelingsbeleid en de belangen van de armste landen. We moeten erop toezien dat de herinrichting van de Europese Commissie en de besluitvormingsprocedures een grotere samenhang en efficiëntie garanderen.

Om dit te bereiken helpt alleen een actieve opstelling. Een belangrijk element daarvan is het stimuleren van Europese netwerken. Van wetenschappers, beleidsmakers, vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en vooral ook van politici. Op de conferentie `Europe and the South: A New Era', die volgende week maandag en dinsdag in Den Haag wordt gehouden, wordt hopelijk het fundament gelegd voor een netwerk van Europese parlementariërs – zowel van nationale parlementen als van het Europees Parlement – die zich inzetten voor een krachtig Europees buitenlands beleid met veel oog voor de belangen van de armen in deze wereld. Een beleid dat niet ondergeschikt is aan politieke, economische en militaire overwegingen van de EU-lidstaten of van andere bondgenoten. Een beleid dat Europa in staat stelt een krachtig en vernieuwend stempel te zetten op de mondiale verhoudingen.

Jos van Gennip is lid van de Eerste Kamer (CDA) en voorzitter van de Society for International Development (SID). Louk de la Rive Box is hoogleraar Europese Internationale Samenwerking in Maastricht.