Laat terroristen geen atoomterroristen worden

Het nieuws werd maandag gebracht in de kolom korte berichten van de International Herald Tribune, maar het is daarom niet van belang ontbloot. De Amerikaanse minister van Energie, Abraham, en zijn Russische tegenvoeter, Roemjantsev, hebben op een conferentie van 136 landen in Wenen het initiatief genomen voor een project om radioactief materiaal uit handen van terroristen te houden. Het gaat om opsporing en beveiliging van materiaal dat een potentiële bedreiging oplevert voor de internationale gemeenschap.

De eerste zorg op dit gebied geldt nauwelijks beheerde en bewaakte voorraden van dit materiaal in Rusland, voorraden die stammen uit de tijd van de Sovjet-Unie en de wapenwedloop tussen Moskou en Washington. Veel van dat materiaal wacht om vernietigd te worden volgens een door de G7, de zeven rijke geïndustrialiseerde landen, gefinancierd programma dat de naam draagt van twee vooraanstaande Amerikaanse senatoren, de Democraat Nunn en de Republikein Lugar. (Lugar heeft nog een zetel in de Senaat en is daar voorzitter van de commissie voor buitenlandse betrekkingen).

Een tweede zorg geldt werkloze Russische atoomgeleerden voor wie het aantrekkelijk zou zijn zich in dienst te stellen van landen in de Derde Wereld die er een eigen atoomprogramma op nahouden of die er naar streven zo'n programma te ontwikkelen.

Mogen de Amerikaanse en Russische regeringen de gevaren die dergelijke landen oproepen verschillend beoordelen, ze blijken volgens het bericht uit de Oostenrijkse hoofdstad bereid de handen ineen te slaan bij bestrijding van het risico van terroristische aanslagen met atoomwapens.

De invasie van Irak, het feit dat in dit land geen massavernietigingswapens (weapons of mass destruction, wmd) werden aangetroffen en de chaos waarin inmiddels de bezetting is uitgemond, hebben het zicht vertroebeld op de werkelijke gevaren die de wereld bedreigen.

Die gevaren liggen in een ongebreidelde verspreiding van wmd, nucleair, chemisch en biologisch, en in het tot dusver gebleken onvermogen van de internationale gemeenschap om aan die verspreiding paal en perk te stellen. Bijvoorbeeld het tientallen jaren oude Non-proliferatieverdrag (NPV) is zo lek als een mandje gebleken, voortvloeiend uit de aanname dat nationale programma's van vreedzame toepassing van atoomenergie waterdicht onder internationale controle konden worden gebracht en dat op die manier heimelijke ontwikkeling van kernwapenprogramma's kon worden voorkomen. Zoals India en Pakistan, Israël en Iran, alsmede Irak in de jaren '80 en nu Noord-Korea aantonen, was deze aanname naïef in de hoogste graad.

Met de invasie van Irak is de nadruk gelegd op preventieve oorlogvoering als middel om proliferatie van wmd tegen te gaan dan wel te voorkomen. Als deze weg verder zou worden vervolgd, zou een Amerikaanse invasie van Iran en van Noord-Korea mogen worden verwacht. Wat Iran betreft staat de escalatieladder in Washington gereed. De regering-Bush wil dat het Internationaal agentschap voor atooomenergie (IAEA) in Wenen, een VN-organisatie die de naleving van het NPV controleert, de kwestie-Iran aan de VN-Veiligheidsraad voorlegt. De raad zou vervolgens, als komt vast te staan dat Iran in gebreke blijft, passende maatregelen moeten nemen. In eerste instantie zou het om sancties gaan, maar als sancties niet helpen de ayatollahs tot inkeer te brengen, rijst, zoals gemakkelijk valt te voorspellen, de vraag: wat nu?

Tot dusver hebben Europese landen, Groot-Brittannië daarbij ingebegrpen, voorlegging van de kwestie aan de Veiligheidsraad, tegengehouden.

Opvallenderwijs volgen de VS ten aanzien van Noord-Korea een heel ander scenario. Geflankeerd door de buurlanden China, Rusland, Japan en Zuid-Korea zoeken de Amerikanen in onderhandelingen met het laatste stalinistische regime in de wereld naar een uitweg. De klacht van de gesprekspartners: Washington heeft tot dusver nog geen enkele werkelijke opening gemaakt met als gevolg dat in opeenvolgende onderhandelingsrondes partijen in een cirkel ronddraaiden.

Er is, gezien de verschillende impasses en de urgentie van de risico's, langzamerhand reden voor een nieuwe benadering van de verspreiding van wmd. Een frisse poging daartoe doet Ashton B. Carter, staatssecretaris van Defensie in de regering-Clinton, in een artikel in het herfstnummer van Foreign Affairs. Carter begint met een beperktere definitie van wmd voor te stellen dan gebruikelijk is. Chemische wapens, strijdgassen, zijn niet dodelijker dan conventionele wapens en moeten volgens Carter dan ook het etiket wmd verliezen. Hetzelfde geldt voor ballistische raketten voor de lange afstand als aparte categorie wmd. Zij zijn slechts als zodanig aan te merken, als ze zijn uitgerust met nucleaire of biologische oorlogskoppen. De relatief nieuwe `vuile bommen', wapens die enig radioactief materiaal verspreiden, vallen ook buiten de karakteristiek, omdat zij niet werkelijk massale verwoesting veroorzaken. Carter wenst concentratie op nucleaire en biologische, ziekteverspreidende, wapens.

Het grootste potentiële risico, meent de auteur, vormen kernwapens in handen van terroristen. Er zijn geen geheimen meer omtrent de Bom. Terroristen die door een regering aan bruikbare brandstof worden geholpen, staat weinig in de weg om een eigen, ruwe bom te vervaardigen. Bovendien zou een dergelijk huisgemaakt wapen moeilijk zijn op te sporen, als het Amerika wordt binnengesmokkeld. En, ten overvloede, men kan niet worden ingeënt tegen een

atomaire vuurbal en men kan geen antibiotica innemen tegen radioactieve besmetting. Daarin, onderstreept Carter, ligt een belangrijk onderscheid met biologische wapens.

Carter stelt een drie-stappenplan voor. Regeringen dienen nucleaire brandstof zo secuur op te slaan dat terroristen er op geen enkele manier gebruik van kunnen maken. Er moet ook geen nieuwe brandstof voor kernbommen meer worden aangemaakt. Overtollige voorraden moeten waar en wanneer mogelijk worden vernietigd. ,,Dit zijn waardige taken voor Amerikaans leiderschap.'' Een ,,dramatische uitbreiding'' van het Nunn-Lugar-programma ligt in de rede, concludeert Carter: na `nine eleven' miste de regering-Bush weliswaar de boot, maar het is nog niet te laat.

Het laatste `korte' nieuws uit Wenen bevestigt dit.

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.

    • J.H. Sampiemon