Ik spreek de hele dag in verzen

De Franse romanticus Gérard de Nerval probeerde harmonie af te dwingen door te schrijven. Hij beschouwde zijn eigen krankzinnigheid als een droom, en die droom viel min of meer samen met de poëzie.

Een van de mooiste verhalen die ik ken is Sylvie van Gérard de Nerval (pseudoniem van Gérard Labrunie, 1808-1855). Zelf sprak Nerval liever van een `kleine roman'. Dat is begrijpelijk, want het gaat om een, in weerwil van de geringe lengte, complex verhaal. Toch is het tegelijkertijd ook een simpel verhaal, geschreven in zo'n heldere, onopgesmukte stijl dat het lange tijd heeft gegolden als hét voorbeeld van klassiek Frans proza. In Sylvie, niet voor niets hevig bewonderd door Marcel Proust, draait het om een reis naar de verloren tijd, die tevens een bevestiging is van de vergankelijkheid.

Het zijn bijna te grote woorden voor deze autobiografische vertelling, die begint als Nerval 's avonds na bezoek aan het theater een berichtje in de krant leest over een schuttersfeest in de Valois, de oude koningsstreek vlak boven Parijs, waar hij een deel van zijn jeugd heeft doorgebracht.

Het berichtje wordt zijn madeleine, die hem terugvoert, zowel in gedachten als daadwerkelijk, naar zijn jeugdvriendinnetje Sylvie – welkom tegenwicht tegen de Parijse actrice Aurélie, voor wie hij een vurige, zij het strikt platonische passie koestert. Maar vrijwel meteen doemt ook het beeld op van de adellijke Adrienne, verre familie van de vroegere Franse koningen, en bestemd voor het klooster; bij deze `onmogelijke' geliefde, nazaat van een luisterrijk verleden, zoekt hij de oorsprong van zijn huidige, bijna even onmogelijke passie voor Aurélie.

In Sylvie regeert niet de tijd van de klok (de verteller heeft `geen horloge'), maar de magische tijd van de herinnering. Alles komt daardoor in het teken van de transformatie, de metamorfose te staan. In een prachtige – herinnerde – scène verkleden de jonge Nerval en Sylvie zich in de bruiloftskleren van Sylvies oude tante: even keert de achttiende eeuw terug. De achttiende eeuw is trouwens overal om hen heen, dankzij de herinnering aan Rousseau (wiens graf, op het Île des peupliers, in het park ligt van het nabije Ermenonville) en dankzij de vele destijds opgerichte pseudo-klassieke ruïnes.

Naast de betovering dient ook de realistische ontnuchtering zich aan, in de gedaante van Sylvie, die Nerval nog dezelfde nacht terugziet op het bal van Loisy. Zij blijkt niet meer het boerenmeisje van weleer te zijn, ze heeft zich ontwikkeld, leest moderne boeken en zingt moderne liedjes, tot verdriet van de romantische nostalgicus Nerval. Zij heeft zich zelfs verloofd met zijn voormalige zoogbroer. Wat voor een kans heeft hij niet laten lopen! Met ietwat dubbelzinnige spijt bedenkt hij dat zij zijn redding had kunnen zijn. Met haar had hij een normaal leven kunnen leiden: `Hier was wellicht het geluk te vinden; maar toch....'

Inrichting

Dit was geen gratuite verzuchting toen Nerval – omstreeks 1852 – zijn verhaal schreef. Een jaar later werd hij voor de tweede keer (de eerste keer was in 1841 geweest) opgenomen in een psychiatrische inrichting. Daarvóór zwierf hij rond, meestal zonder vast adres, als een literaire dakloze, schrijvend op allerlei losse blaadjes, die hij in zijn jaszakken met zich meedroeg. Zo moet ook Sylvie zijn ontstaan, dat wonder van helderheid en harmonie. De geraffineerde compositie en het stilistische meesterschap verraden ogenschijnlijk niets van de geestesgesteldheid van de auteur – totdat je beter let op enkele vreemde elementen in het verhaal.

Vreemd is bijvoorbeeld Nervals passie voor enkel het `beeld' van Aurélie, evenals het obsessieve hameren op de gelijkenis (die alleen in zijn eigen overspannen verbeelding blijkt te bestaan) tussen de actrice en de non Adrienne. De verwijzing naar zijn eigen verstoorde gemoed staat er zelfs letterlijk: `Een non in de gedaante van een actrice beminnen...! En als het eens dezelfde was! – Iets om gek van te worden!' In dezelfde lijn ligt een andere herinnering aan Adrienne, die hij ooit in een mysteriespel de `glorie van Christus als overwinnaar van de hel' had horen verkondigen – een rol die hij nadien Aurélie probeert op te dringen, zonder succes.

Vlak onder het oppervlak van dit idyllisch-melancholische verhaal doemt plotseling iets heel anders op: een onrustbarende ondergrond van troebele angsten en verlangens. Ken je alleen Sylvie, dan is daar gemakkelijk overheen te lezen. Maar leg je Aurélia, Nervals duizelingwekkende verslag van zijn beide geestelijke crises, ernaast, dan springt die ondergrond in het oog. Dezelfde ingrediënten keren terug, maar nu openlijk als onderdelen van een krankzinnige waan. Dat neemt niet weg dat ook Aurélia even helder en transparant is geschreven, alleen niet wat betreft de inhoud, die bestaat uit totale geestelijke verwarring, vol visioenen en hallucinaties, en uit een taaie worsteling om de weg terug naar de normaliteit te vinden.

Net als het verlangen om door Sylvie `gered' te worden, heeft deze worsteling iets dubbelzinnigs. Dat geldt in feite voor Nervals hele benadering van zijn eigen krankzinnigheid. Hij beschouwde die zelf als een `droom' (`De droom is een tweede leven', luidt de beginzin van Aurélia) en deze droom viel min of meer samen met de poëzie. Zijn maar al te reële waanzin was voor hem altijd ook een vorm van `furor poeticus'. In een brief uit 1841 lezen we dat hij, tijdens zijn crisis, `de hele dag in verzen sprak, en dat die verzen heel mooi waren'.

Redding

Dat klopt, want de verzen die worden bedoeld behoren tot de sonnettenreeks Les chimères: beeldschone, even ondoorgrondelijke als intrigerende gedichten, die Nerval `supernaturalistisch' noemde. Ook in deze poëzie is vaak sprake van redding of verlossing, waarbij het verschil tussen het eigen heil en dat van de wereld lijkt te zijn weggevallen. In Aurélia is het niet anders, en opnieuw komen we de geliefde tegen als degene die de verlossing moet brengen, zij het dat zij nu van nog veel meer gelijkenissen wordt voorzien dan in Sylvie. Aurélia, de op afstand beminde actrice, blijkt nu dezelfde te zijn als de Heilige Maagd, als de Egyptische godin Isis, en niet te vergeten als Nervals eigen moeder.

Hier raken we aan de kern van Nervals persoonlijke drama: hij heeft zijn moeder nooit gekend, zij stierf kort na zijn geboorte in Duitsland, waarheen zij haar man, een chirurgijn in het leger van Napoleon, was gevolgd. De hang naar redding en harmonie, die – met uitzondering van Sylvie – bij Nerval meestal het lot van de mensheid in een goddeloze tijd betrof en waarvoor hij alle hem bekende mythen en religies te hulp riep, was tegelijk gericht op het herstel van een familiale harmonie die hij in werkelijkheid nooit had gekend.

Het schrijven was zijn middel om die onmogelijke harmonie af te dwingen. Of het ook geschikt was om de waanzin te boven te komen, is minder zeker. Daarvoor waren poëzie en krankzinnigheid misschien te hecht met elkaar verweven. Tegen het eind van Aurélia neemt Nerval zich niettemin voor zijn dromen (of wanen) niet langer passief te ondergaan, maar `ze vast te leggen en het geheim ervan te doorgronden'. Met als resultaat deze tekst, verbluffend vanwege zijn welhaast schizofrene contrast tussen duistere inhoud en lucide vorm. Helaas lukte het hem niet om dezelfde prestatie ook buiten de literatuur vast te houden: in de ijskoude nacht van 25 op 26 januari 1855 heeft Gérard de Nerval zich in een Parijse steeg aan zijn eigen sjaal opgehangen.

Zowel Sylvie als Aurélia is al eens vertaald in het Nederlands, respectievelijk door Jacob Groot en Menno Wigman. Hoewel er niets mis is met die vertalingen, zijn ze nu nog eens overgedaan door Edu Borger, die zich niet minder vakkundig van zijn taak heeft gekweten. De beide teksten zijn gebundeld in een fraai Privédomein-deel, getiteld Het treurige beroep van schrijver, samen met het verhaal `De koning van Bicêtre' (uit Les illuminés), de verzameling korte schetsen Promenades et souvenirs, het hoofdstuk `Ramadannachten' uit de Voyage en Orient en een keuze uit Nervals correspondentie.

Het verhaal over de zestiende-eeuwse gek Raoul Spifame (voor het eerst gepubliceerd in 1839) is curieus, omdat het in zekere zin een aankondiging is van wat Nerval zelf twee jaar later voor het eerst zou overkomen, toen hij net als Spifame (die zichzelf voor de koning aanziet) opeens niet meer in staat bleek zijn `leven' en zijn `dromen' uit elkaar te houden. De Wandelingen en herinneringen en a fortiori de brieven bieden alle gelegenheid om de mens achter de schrijver beter te leren kennen.

Alleen het hoofdstuk uit de veel minder indringende en persoonlijke Voyage en Orient detoneert een beetje in dit autobiografische verband, al klinkt Nervals verzekering (na in Istanbul het slachtoffer van een onthoofding wegens overspel te hebben gezien) dat hij niet twijfelt aan `de progressieve tendensen in het nieuwe Turkije', onbedoeld zo actueel dat we toch blij mogen zijn dat de vertaler het heeft opgenomen.

Gérard de Nerval: Het treurige beroep van schrijver. Gekozen en vertaald door Edu Borger. De Arbeiderspers, 412 blz. €27,50

    • Arnold Heumakers