Hij zag het heelal ondersteboven (Gerectificeerd)

Nicolaus Copernicus' `De Revolutionibus orbium coelestium' geldt als een volstrekt onleesbaar boek. Een Amerikaanse wetenschapshistoricus liet zich toch niet afschrikken en ging op jacht naar de astronoom.

`Een vervelende schoolmeester, die één goed idee had, maar dat uitwerkte in het saaiste en meest onleesbare boek dat ooit geschiedenis heeft geschreven.' Dat schreef Arthur Koestler in The Sleepwalkers over de Poolse astronoom Nicolaus Copernicus, die in de zestiende eeuw een revolutie ontketende door als eerste een heliocentrisch wereldbeeld te presenteren. Geen wonder dus, zo voegde Koestler er verder nog aan toe, dat dat onleesbare boek, De Revolutionibus orbium coelestium (Over de omwentelingen van de hemelse sferen) een `all-time worst-seller' was.

Nu is het inderdaad een uiterst technisch werk, vol taaie wiskunde, maar de karakterisering `het boek dat niemand las' ging de Amerikaanse astronoom Owen Gingerich wat te ver. Helemaal toen hij in het begin van de jaren zeventig in Schotland bij toeval een eerste druk onder ogen kreeg en ontdekte dat de marges daarvan helemaal vol gepend waren met opmerkingen en aantekeningen: `Als het boek zo weinig lezers had gehad, hoe kwam het dan dat het eerste het beste exemplaar dat ik onder ogen kreeg wel degelijk blijk gaf van een geïnteresseerde lezer?' Toen hij eenmaal één eerste druk had gezien, besloot Gingerich om nog een paar andere te onderzoeken, niet wetend dat hij met die beslissing zijn carrière een volledig nieuwe wending zou geven. Van een theoretisch sterrenkundige werd hij een voltijds wetenschapshistoricus, met een missie die hem dertig jaar lang over de hele aardbol zou voeren. Onlangs verscheen The Book that Nobody Read, Gingerichs verslag van zijn `Great Copernicus Chase'.

Hoewel hij een wetenschappelijke omwenteling teweegbracht, kun je Nicolaus Copernicus nauwelijks een revolutionair noemen. Hij bracht zijn dagen door als kanunnik van de dom in Frauenburg, het huidige Frombork aan de kust van de Oostzee in Polen. Die baan bood hem meer dan voldoende tijd om zich aan zijn astronomische studie te wijden. Jarenlang werkte hij zo in betrekkelijke stilte aan zijn kosmologische theorie, waarbij een stilstaande zon het middelpunt vormde van ons planetenstelsel, met als resultaat een dik manuscript voor een boek. Publicatie daarvan stelde hij echter voortdurend uit, omdat hij nieuwe rekenmethoden wilde uitproberen of eerst inconsistenties met waarnemingen uit de weg wilde ruimen. Maar zijn roem is hem dan al vooruitgesneld: een jonge hoogleraar wiskunde van de universiteit van Wittenberg, Georg Joachim Rheticus, reist af naar Polen. Meer dan twee jaar lang probeert hij zijn oudere collega ervan te overtuigen zijn manuscript te laten drukken. Maar Copernicus vreest de hoon van zijn vakgenoten. Pas nadat Rheticus een korte inleiding op zijn theorie publiceert, waar veel belangstelling voor blijkt te bestaan, krijgt hij het manuscript mee. Uiteindelijk zal de eerste druk in het voorjaar van 1543 verschijnen, nog net voordat Copernicus overlijdt.

Index

Niet alleen Copernicus moet zich hebben gerealiseerd dat hij zich op gevoelig terrein begaf. Ook de drukker voelde nattigheid, want hij liet zonder medeweten van de schrijver in een voorwoord opnemen dat het heliocentrische wereldbeeld niet op de werkelijkheid berustte, maar slechts een hypothese was. Bijna niemand zal daaraan hebben getwijfeld. Iedereen kon immers zien dat het de zon was die bewoog en bovendien was de autoriteit van de bijbel op dit gebied nog onomstreden: en stond daarin niet te lezen dat Jozua de zon stilzette? De katholieke kerk vond het aanvankelijk dan ook niet noodzakelijk om dit soort belachelijke ideeën te onderdrukken. Het boek, dat nota bene was opgedragen aan Paus Paulus III, zou in 1616 weliswaar op de Index verschijnen, maar dat gebeurde pas nádat met name Galileo Galileï er – in het Italiaans – meer aandacht voor had gevraagd. Zo bezien is het geen wonder dat de meeste annotaties van vóór die tijd niet de – zeer beperkte – gedeelten van het boek betreffen die we achteraf als revolutionair beschouwen, maar eerder Copernicus' lange uiteenzettingen over het voorspellen van planeetbanen.

Wat dat betreft probeerde Copernicus een alternatief te bieden voor het aloude model van Ptolemaeus. Die ging uit van een stilstaande aarde waar de planeten in volmaakte cirkelbanen omheen bewogen. Nu lijkt het af en toe of ze daarbij aan de hemel de verkeerde kant op bewegen. Daarom nam Ptolemaeus aan dat ze in hun baan om de aarde ook nog kleinere cirkels maakten, zogeheten epicykels. Volgens de mythe waren er echter op een goed moment zoveel epicykels nodig om de waarnemingen te verklaren, dat de theorie van Ptolemaeus feitelijk onhoudbaar was geworden en al snel werd vervangen door die van Copernicus. Niets blijkt verder van de waarheid: volgens Gingerich had Ptolemaeus zelfs minder epicykels nodig dan Copernicus en voorspelde zijn model de planeetposities minstens even goed.

Een andere ontdekking van Gingerich is de relatief onbekende, rondreizende astronoom Paul Wittich. Gingerich ontdekt in niet minder dan vier exemplaren aantekeningen van zijn hand. Daaruit blijkt niet alleen dat hij het was die de grote Deense astronoom Tycho Brahe een alternatief model voor het zonnestelsel aan de hand deed, waarna Brahe deze onder eigen naam publiceerde. Wittich was ook de eerste dide logaritme ontdekte. Op een lege pagina in een van zijn exemplaren van Copernicus' boek, werkte hij de theorie daarvoor uit, en liet die zien aan een Schotse leerling van hem. Die kopieerde die aantekeningen en liet ze op zijn beurt zien aan zijn landgenoot John Napier, die sindsdien te boek staat als de ontdekker van de logaritme!

Bureaucratie

Het zijn dit soort wetenschapshistorische `onthullingen' die Gingerichs boek zo boeiend en levendig maken. Het meest meeslepend is toch de speurtocht zelf naar telkens nieuwe exemplaren in soms obscure bibliotheken of ontoegankelijke verzamelingen. Gingerich doorsnijdt zijn verhaal met kleurrijke anekdotes over zijn problemen met de bureaucratie in de landen achter het voormalige IJzeren Gordijn of hoe een gemiste vlucht hem op het spoor brengt van de identiteit van een mysterieuze sterrenkundige wiens annotaties veel navolging vonden. Daarnaast is het natuurlijk aardig als hij na veel speurwerk en het vergelijken van handschriften `beroemde' eigenaars als de cartograaf Gerard Mercator of Giordano Bruno weet te identificeren. Deze laatste – toch een boegbeeld van de strijd tegen het orthodoxe denken binnen de katholieke kerk – geeft er in zijn exemplaar `op geen enkele manier blijk van het boek daadwerkelijk te hebben gelezen.' Bijzonder is ook zijn ontdekking van het boek waarin Galileï – met eigen hand – de door de katholieke kerk geëiste verbeteringen heeft aangebracht, al deed hij dat op zo'n manier dat de oorspronkelijke tekst nog wel te lezen was.

Ter ondersteuning van al zijn detectivewerk heeft Gingerich zich allerlei specialismen eigen moeten maken. Om de vraag te kunnen beantwoorden hoe groot de eerste oplage geweest moet zijn, verdiepte hij zich bijvoorbeeld in de dagelijkse praktijk van een zestiende-eeuwse drukkerij. Hij maakt aannemelijk dat er oorspronkelijk zo'n vier- tot vijfhonderd eerste drukken moeten zijn geweest, waarvan hij er 276 heeft weten te achterhalen. De rest moet ten prooi zijn gevallen aan water, vuur of de boekenworm – volgens Gingerich helemaal geen worm maar zilvervisje – en het illustreert zijn zucht naar volledigheid dat hij ook even vermeldt bij welke beroemde branden er exemplaren verloren zijn gegaan. Andere verdwijnen tijdelijk, wanneer ze door onverlaten die in verlokking gebracht door de almaar stijgende prijzen waarvoor een eerste druk verhandeld werd – de laatste die op een veiling verscheen bracht bijna een miljoen dollar op – exemplaren ontvreemden. Smakelijk weet Gingerich te vertellen hoe hij een aantal keer door de politie en FBI te hulp is geroepen om een plotseling opgedoken exemplaar te identificeren. Zijn minutieuze aantekeningen en de vele foto's die hij maakte van de kenmerkende gedeelten van elk exemplaar dat hij onder ogen krijgt, verzameld in een `geleerde' uitgave die twee jaar geleden bij Brill in Leiden verscheen, bieden vaak voldoende aanknopingspunten om de oorspronkelijke eigenaar terug te vinden.

En dat allemaal naar aanleiding van een paar prikkelende opmerkingen van Arthur Koestler, die Gingerich eigenlijk niet eens weet te ontzenuwen. Dat laatste is niet erg belangrijk. Met zijn analyse van alle annotaties toont hij overtuigend aan dat er in het midden van de zestiende eeuw een `onzichtbare universiteit' moet hebben bestaan, een netwerk van sterrenkundigen die met elkaar discussieerden en nieuwe ideeën bespraken. En wat er vooral toe doet is het aanstekelijke enthousiasme van Gingerich dat The Book That Nobody Read tot zo'n prachtig boek maakt: deze kroniek van een obsessie biedt niet alleen boeiende wetenschapsgeschiedenis, maar is evenzeer een bibliografische page-turner.

Owen Gingerich: The Book Nobody Read. Chasing the Revolutions of Nicolaus Copernicus. William Heinemann, 306 blz. €26,65

Rectificatie

Vertaling (2)

Bij de bespreking van Owen Gingerich' The Book Nobody Read (Boeken, 24.09.04) ontbraken de gegevens van de vertaling van dit boek in het Nederlands door Rob Hartmans als Het boek dat niemand las (Ambo, 311 blz. €22,95).

    • Rob van den Berg