Het kabinet investeert niet in vertrouwen

De grote problemen waarmee de Nederlandse economie kampt zijn bekend. De oplossingen van het kabinet sinds prinsjesdag ook. Het poldermodel wordt eindelijk bij het grof vuil gezet.

Wat blijft er voor andersdenkenden aan ruimte nog over?

Elk jaar op Prinsjesdag voltrekt zich hetzelfde ritueel. Het kabinet laat Hare Majesteit zeggen dat we de tering naar de nering moeten zetten. De vergrijzing van de samenleving jaagt de kosten van de zorg en pensioenen op. Onze collectieve voorzieningen moeten een tandje soberder. De staatsschuld bedraagt zo'n 55 procent van wat we met z'n allen bruto op jaarbasis verdienen (het bruto binnenlands product, ofwel BBP). En die moet lager. Er moet fors worden afgelost om de jonge generatie niet op te zadelen met een torenhoge schuld. Maar dat betekent hogere belastingen of lagere collectieve voorzieningen en uitkeringen. Of beide.

Wegens de sterk groeiende vergrijzingslasten streefde Balkenende I naar aflossing van de staatsschuld binnen één generatie. Maar de economische tegenwind leerde al snel dat het onbegonnen werk was het begrotingstekort binnen deze kabinetsperiode weg te werken. In het Hoofdlijnenakkoord is daarom uitgegaan van een geleidelijke daling van 2,4 procent in 2003 naar 0,5 procent in 2007. Nieuwe tegenvallers maakten telkens extra bezuinigingsrondes noodzakelijk.

Deze fixatie op het overheidstekort vormt een breuk met het Paarse verleden. Toen werd de groei van de uitgaven vastgesteld op basis van een voorzichtig economisch scenario. Maar het huidige kabinet rijdt conjunctureel pal op de bumper van de optrekkende en stokkende economie. Enige afstand zou verstandiger zijn.

De Miljoenennota voor 2005 is de eerste echte begroting van Balkenende II. Niet gestoord door formatieperikelen kon het kabinet van stond af aan sturen op het kompas van zijn eigen hoofdlijnenakkoord. En dat is ook te merken. Er wordt een pijnlijke, maar noodzakelijk geachte bezuinigingsoperatie uitgevoerd. Het kabinet draagt de vaste overtuiging uit dat het deze ondankbare taak met standvastigheid moet uitvoeren. Het schermt met zijn gelijk op de lange termijn. Het geloof in de heilzame marktwerking geldt daarbij als inspiratiebron en richtsnoer. Dat daarbij vooral de kwetsbaren de grootste klappen krijgen, vindt het kabinet spijtig, maar onvermijdelijk. Ook zij worden aangesproken op hun `eigen verantwoordelijkheid'. Maar hoe kunnen zij zich staande houden in het overweldigende marktgeweld? De beleidsstukken laten nauwelijks onderhandelingsruimte open voor sociaal-economisch andersdenkenden.

De klassieke verzorgingsstaat gaat op de schop. Nederland `ontcollectiveert'. Vriend en vijand zijn het erover eens dat uitwassen moeten worden weggesneden. Ook maken structurele ontwikkelingen, zoals de internationalisering en vergrijzing, aanpassingen noodzakelijk. Maar men kan verschillend denken over de wijze waarop de doelstellingen worden gerealiseerd, over de maatvoering en toonhoogte en wie de prijs moet betalen.

De overheidsfinanciën moeten de vergrijzingskosten kunnen opvangen. De huidige generatie moet voldoende middelen opzij zetten om haar eigen oudedagsvoorziening veilig te stellen. Om het draagvlak voor collectieve voorzieningen, de zorg en de pensioenvoorzieningen te verbreden is het nodig meer mensen aan het werk te krijgen. Bovendien moet het premiestelsel worden aangepast. De premies worden thans vooral opgebracht aan de onderkant van het loongebouw. Daar loopt de lastendruk zorgelijk op. In de periode 1997-2005 zijn onze arbeidskosten ruim 10 procent meer gestegen dan die van onze concurrenten. Langer werken en meer uren maken voor hetzelfde geld zijn daarvoor niet de echte oplossing. Met lagelonenlanden kunnen we niet concurreren. We moeten slimmer gaan werken. Bepaalde werkzaamheden, zoals huishoudelijke hulp, kinderopvang en tuinonderhoud, zouden we trouwens onbelast kunnen laten.

Dat het kabinet de uitbundige uitstroom van ouderen afremt, is te begrijpen. Maar zijn kortademige en dwingende beleidsingrepen in langetermijnverplichtingen zijn contraproductief. Het kabinet investeert niet in vertrouwen. Vertrouwen levert een hoog sociaal en economisch rendement op. Wantrouwen leidt tot suboptimale economische posities en gaat gepaard met grote maatschappelijke kosten. Het is daarom beter een oudedagsvoorziening in collectief verband te organiseren. Maar andere commentatoren juichen toe dat eindelijk het verdoezelende poldermodel met bijbehorende demotiverende collectiviteit bij het grof vuil is gezet. Slagvaardig beleid gedijt in hun ogen het best bij duidelijke profilering en sterker geïndividualiseerde regelingen.

De aanhangers van deze visie krijgen thans de wind in de zeilen. Het kabinet kijkt kritischer naar het overheidsaanbod. Het wil komen tot een sterker vraaggestuurde verdeling van collectieve voorzieningen. De werkelijke kosten zullen nadrukkelijker aan de gebruiker in rekening worden gebracht. Het wenst zodoende meer particulier geld naar voorzieningen als zorg, hoger onderwijs, vervoer, infrastructuur, wonen en de sociale zekerheid te sluizen, en misbruik en overconsumptie door `oversolidarisering' in te dammen. Tegelijkertijd wil het kabinet de toegankelijkheid van die voorzieningen voor de lagere inkomens (gezondheidszorg, onderwijs) behouden door toekenning van gerichte inkomensafhankelijke subsidies.

Fiscale beleidsplannen

De marges voor nieuw fiscale beleid zijn beperkt, zo niet negatief. Staatssecretaris Wijn (Financiën) zit bij de inkomstenbelasting duidelijk klem tussen het toptarief van 52 procent en de oplopende lastendruk onder in het loongebouw. In de inkomstenbelasting is dat zichtbaar in de sterke stijging van het gecombineerde tarief van de tweede inkomensschijf van 37,60 procent in 2001 tot 41,95 in 2005. Daarenboven stelt de internationale mobiliteit grenzen aan de mogelijkheid om belasting te heffen op mobiele grondslagen. Aangezien kapitaal veel mobieler is dan arbeid, is het risico aanwezig dat bij de belastingheffing het internationaal opererende bedrijfsleven de dans weet te ontspringen ten koste van de burgers van een land. De ruimte voor nieuw fiscaal beleid wordt bovendien beperkt door de steeds verder oplopende belastingverminderingen die de eigenwoningbezitters claimen.

Het kabinet doet zijn best via een omslachtig systeem van toeslagen het sociale gezicht te redden, maar per saldo is het toch niet het betrouwbare schild voor de zwakkeren. Dubbelslachtig is dat enerzijds de noodzaak tot bezuiniging zo sterk wordt benadrukt, terwijl anderzijds de voor de hand liggende bezuinigingsmogelijkheden boven in het inkomensgebouw met even grote stelligheid onbespreekbaar worden verklaard. Te denken valt aan de hypotheekrenteaftrek, aan de luxe pensioenen voor hoge inkomens en de belastingbegunstiging van in Nederland werkzame buitenlandse managers die over de volle lengte van hun loonschaal een `kostenaftrek' krijgen van 30 procent waar geen echte kosten tegenover hoeven te staan.

Vergrijzingslasten

In Nederland, zoals overal in West-Europa, zullen de kosten van de oudedag (AOW, pensioenen, zorg) sterk oplopen. Terwijl nu tien werkenden tegenover drie 65-plussers staan, hebben die tien werkers over een kwart eeuw de zorg voor zes ouderen. De kosten kan men niet luchthartig afschuiven op de jongere generatie.

Momenteel betalen 65-plussers geen AOW-premie. Ze hebben daardoor in de eerste en tweede belastingschijf een tarief dat 17,9 procent lager ligt dan dat voor jongeren. Het zou beter zijn de AOW te fiscaliseren, dus iedereen, ook de ouderen, daaraan te laten meebetalen. Degene die met slechts een AOW moet rondkomen, moet uit de wind worden gehouden. Maar er is geen enkele reden waarom de vermogende 65-plusser niet aan de instandhouding van de AOW zou kunnen meebetalen. Van draagkrachtige ouderen kan een grotere solidariteit worden gevraagd met hun minder welgestelde leeftijdsgenoten.

Levensloop- en pensioenbeleid

De beleidsambities van het kabinet zijn bekend: doorwerken tot 65 jaar. Een kostenbewuste aanpak van het pensioenprobleem zal iedere verstandige bestuurder onderschrijven. Problematisch is de verbetenheid waarmee het kabinet zijn beleid wenst door te drukken. Het lijkt zich daarbij af te sluiten voor argumenten en alternatieven, alsof ze aangedragen zijn door een boze buitenwereld. De fiscale faciliëring van VUT wordt afgeschaft en prepensioen wordt drastisch beperkt. Na de weigering CAO's met loonstijgingen nog langer algemeen verbindend te verklaren, is de wijze waarop het kabinet op pensioengebied de fiscale knoet hanteert, en de afkoopmogelijkheid van het prepensioen, een soort oorlogsverklaring aan de sociale partners. Zodra een kabinet niet langer schroomt evidente dubbele heffing toe te passen en handelt in strijd met fiscale normen en waarden, treedt alarmfase `rood' in werking.

Een begin van de oplossing zou zijn het verward geraakte pensioen- en levensloopdossier te ontwarren. Flexibele combinaties van zorg- en werktaken vragen om flexibele werkverbanden en dito pensioenregelingen. Dat was ook de bedoeling van de in 1999 in werking getreden wet tot flexibilisering van pensioen. Maar nu is prepensioen kennelijk plotseling niet langer onderdeel van de gewenste flexibiliteit. De irritatie van de sociale partners daarover is begrijpelijk. Zolang iedere pensioengerechtigde zelf de prijs van een eventuele vervroegde pensionering betaalt, is het welvaartstheoretisch beter de pensioengerechtigde zelf zijn pensioeningangsdatum te laten kiezen. Eerder pensioen betekent een lagere uitkering. Wat is daar mis mee? En waarom deeltijdpensioen aan banden leggen? Juist bij jeugdwerkeloosheid is het goed dat er ruimte komt voor jongeren. Flexibiliteit voorkomt dat ouderen geheel afknappen.

Het pensioendossier moet niet langer worden belast met partijpolitieke stokpaardjes. Het ontwarren van de verantwoordelijkheden voor het pensioenbeleid en het `overig' levensloopbeleid kan het verbroken vertrouwen herstellen. Prepensioen moet blijven. En de levensloopfaciliteit verdient een afzonderlijke nut-en noodzaak-discussie.

Fiscale eigenwoningregime

Het fiscale eigenwoningregime blijft de maatschappelijke emoties beheersen. Dat is begrijpelijk want het huidige fiscale regime voor de eigen woning is onrechtvaardig, onnodig ingewikkeld en op den duur onbetaalbaar. Maar politiek is dit dossier nog steeds onbespreekbaar, terwijl de noodzaak tot verdere beperking van de hypotheekrenteaftrek in de toekomst alleen maar pregnanter wordt. Zeker als de rente gaat stijgen. De aftrek legt een zware hypotheek op toekomstige begrotingen. Het totale bedrag aan belastingsubsidies als gevolg van de hypotheekrenteaftrek bedroeg in 2004 al 9 miljard en loopt naar schatting op tot 11 miljard in 2007. Het grootste deel van deze belastingsubsidie komt terecht bij de midden- en hogere inkomens. Deze omgekeerde herverdeling is in de toekomst steeds moeilijker vol te houden, zeker in tijden van bezuiniging. De op 1 januari 2004 van kracht geworden aftrekbeperking van de bijleenhypotheek, is een ingewikkelde, maar weinig doordachte ad hoc-oplossing. Budgettair is de structurele opbrengst van 0,5 miljard slechts dan een doekje voor het bloeden. Per 1 januari 2005 wordt de belastingheffing over de bijtelling wegens eigenwoningwaarde afschaft voorzover die de aftrekposten overtreft. Ook dat speelt vermogende eigenwoningbezitters extra in de kaart. Op het voordeel door afschaffing van het bewonersdeel van de OZB zullen ze nog even moeten wachten. Die is met een jaar uitgesteld. Beter is het niet te morrelen aan de OZB. Het kabinetsplan is in dat opzicht onthutsend slecht doordacht.

Het eigenwoningregime leidt tot overmatige schuldfinanciering. De rentekosten voor het eigen huis zijn immers tegen het progressieve tarief in box 1 aftrekbaar, terwijl het eigen vermogen tegen het proportionele tarief van 1,2 procent van de gemiddelde waarde in box 3 wordt belast. Een onwenselijke stimulans om te lenen.

Het kabinet moet met een strategisch plan komen voor het geleidelijk beperken van de rentearbitrage. Het zou beter zijn de eigen woning met bijbehorende geldlening over te brengen naar de vermogensrendementsheffing. Dat zou ook moeten gebeuren met de kapitaalverzekering eigen woning. Op die wijze kan het eigenwoningbezit worden gestimuleerd met een vast vrijstellingsbedrag in box 3 (die uitbetaald wordt bij een negatieve aanslag). Het betekent een belastingsubsidie voor de eigen woning die duidelijk zichtbaar is, en die niet afhangt van de mate waarin de woning is gefinancierd met vreemd vermogen. Desgewenst kan de basisvrijstelling worden verhoogd met een startersvrijstelling die de toegang tot de koophuizenmarkt versoepelt.

Uiteraard moet zo'n veranderingsproces uitermate behoedzaam worden vormgegeven. En dat vraagt tijd. Eigenwoningbezitters zijn immers op basis van de wettelijke bepalingen langlopende verplichtingen aangegaan en het zou rampzalig zijn als de overheid rigoureus de hypotheekrenteaftrek zou kortwieken. Maar de eigenwoningproblematiek is breder dan de inkomstenbelasting. Het gaat ook over de overdrachtsbelasting, de omzetbelasting, de eigenaarslasten in allerlei lokale heffingen (OZB, waterschapsbelasting) en tussenvormen tussen huren en kopen. Het is zaak dat de politieke partijen beleid ontwikkelen dat verder reikt dan de eerstvolgende verkiezingsdag.

Vennootschapsbelasting

De Nederlandse fiscale concurrentiepositie verslechtert. Daarom wordt de vennootschapsbelasting stapsgewijs verlaagd tot 30 procent. Dit heeft vooral een optische werking, omdat het tarief de meest opzichtige factor is van de effectieve belastingdruk. Maar juist die opzichtigheid lokt ook de tegenreacties uit van de ons omringende landen en stimuleert de onwenselijke race to the bottom. Een dergelijke verlaging van het Vpb-tarief heeft ook consequenties voor de inkomstenbelasting. Ter wille van het globale evenwicht zal ofwel het toptarief van de inkomstenbelasting moeten worden verlaagd tot 47,5 procent dan wel het aanmerkelijkbelangtarief worden verhoogd tot ca. 30 procent. Beide opties zijn onaantrekkelijk. Verlaging van het toptarief is een gevoelige aderlating voor de schatkist. Verhoging van het aanmerkelijkbelangtarief tot 30 procent geeft een verkeerd signaal aan de vooral nationaal opererende familiebedrijven. Zij kunnen daardoor niet meeprofiteren van de belastingvermindering die het internationale bedrijfsleven opstrijkt. De tariefverlaging had beter in de geplande herziening van de vennootschapsbelasting in 2007 kunnen worden ingepast.

Leo Stevens is hoogleraar fiscale economie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam