Grijs politiewerk (Gerectificeerd)

De particuliere veiligheidsmarkt ,,blijft een enigma', aldus de hoogleraar forensische expertise A.B. Hoogenboom in een studie voor de Raad voor de Rechtspraak. Duidelijk is wel dat het een groeimarkt is. Deze heeft een verdringingseffect ten opzichte van de publieke politietaak. Er rijden in Nederland 's nachts in het publieke domein meer particuliere surveillanceauto's van object naar object dan politieauto's. Er is ook sprake van vervlechting. In zijn proefschrift sprak Hoogenboom tien jaar geleden al van ,,het politiecomplex' waarbij activiteiten van bijzondere controlediensten en ook de particuliere beveiligingsbranche steeds meer verweven raken met het reguliere politiewerk. Niet alleen letterlijk, zoals bij gecombineerde ordehandhaving bij een publiek evenement, maar ook op het gebied van de recherche.

Zeker op dit laatste gebied is geen behoefte aan raadsels. Particulier speurwerk is allemaal goed en wel – de moderne overheid wijst burgers en bedrijven graag op hun eigen verantwoordelijkheid voor have en goed – maar er is een duidelijke grens. In beginsel heeft de privé-speurder niet meer rechten dan elke burger. Dat zegt de gedragscode waarvoor de Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties (VPB) eerder dit jaar officiële goedkeuring verkreeg. De code is door het ministerie van Justitie, dat toezicht uitoefent op de particuliere beveiligingsbranche, voorzien van een algemeenverbindendverklaring. Toch is de grens minder duidelijk dan hij lijkt. Zo heeft de privé-speurder volgens de VBP evenveel bevoegdheid als de opdrachtgever om bijvoorbeeld e-mails te controleren. Dat moet een gewone burger maar liever niet proberen. Particuliere rechercheurs zijn bovendien nogal eens afkomstig van de politie en hebben via een `old boys network' vaak toegang tot vertrouwelijke politiegegevens. Of beschikken over andere trucjes. Om maar te zwijgen van bijklussende politiemensen.

De proef op de som is controle door de rechter. Deze vraagt in strafzaken echter onvoldoende door als het gaat om bewijs dat door particuliere rechercheurs is geleverd. Dit concludeert rechter J.D.L. Nuis in een rapport voor de Raad voor de Rechtspraak, waarvan deze krant gisteren melding maakte. De lelijke verklaring is dat de rechter bij lastige bewijsvragen liever de andere kant opkijkt, zoals eerder werd geopperd in het geval van criminele inlichtingendiensten met hun notoir `zachte' informatie. Een mildere verklaring is dat de rechter erop vertrouwt dat particuliere informatie toch het filter van het openbaar ministerie is gepasseerd. Dit is immers het hoofd van de opsporing. Zo gemakkelijk komt de rechter echter niet weg met vragen over de opsporingsmethoden van de particuliere recherche. Het OM kan zich – tot dusver met de zegen van diezelfde rechtspraak – ervan afmaken met de vraag of de reguliere politie haar handen vuil heeft gemaakt. Dat laat te veel ruimte voor grey policing, zoals een veelzeggende vakterm luidt, waar de justitiële controle op de particuliere recherche vervluchtigt. Nog afgezien van de principiële vraag of de overheid wel behoort te profiteren van particuliere onregelmatigheden.

Particuliere opsporing wordt meestal binnenskamers afgedaan. Hoogenboom sprak destijds al van ,,strategisch ontwijkingsgedrag' van het bedrijfsleven dat de voorkeur geeft aan private justice. Het komt zelden tot een strafzaak. Deze is het topje van een ijsberg, maar wél met een voorbeeldfunctie. Het gaat om het ,,signaal dat we (-) geen loopje willen nemen met de regels van het proces'. Zo drukte het lid van de Hoge Raad G.Corstens, toen hij nog niet deel uitmaakte van dit hoogste rechtscollege, het treffend uit. Minister Donner (Justitie) is al twee jaar bezig met een aanscherping van de Wet op de particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus van 1997. Maar dat blijft voorshands bij een aantal secundaire maatregelen. Des te belangrijker is het dat ten minste de rechter zijn verantwoordelijkheid neemt.

Rectificatie

Particulier speurwerk

Het hoofdartikel Grijs politiewerk (24 september, pagina 7) begon met: De particuliere veiligheidsmarkt ,,blijft een enigma'. Dit citaat van de hoogleraar forensische expertise A. Hoogenboom werd toegeschreven aan een studie in opdracht van de Raad voor de Rechtspraak. Dit is niet juist. Hoogenboom schreef het inleidende hoofdstuk van de bundel Particulier speurwerk verplicht waarin een studie door J.D.L. Nuis in opdracht van de Raad voor de Rechtspraak de hoofdmoot vormde. Met de bijdrage van Hoogenboom zegt de Raad geen enkele bemoeienis te hebben gehad.