Europa verkleint kloof met VS in werk

De Europese Unie heeft de afgelopen vijf jaar de kloof met de Verenigde Staten in de participatiegraad van de beroepsbevolking verkleind. Dit blijkt uit het gisteren door de Europese Commissie gepubliceerde rapport Employment in Europe.

In de EU nam het aantal mensen met een baan toe van 61 tot 62,8 procent, terwijl de participatiegraad in de VS daalde van 73,5 naar 69,9 procent. Sommige lidstaten creëren relatief meer banen dan de VS.

De EU blijft wel achter bij de zogenoemde `Lissabon-doelstelling' om de participatiegraad in 2010 op 70 procent te brengen. (Op hun topconferentie in Lissabon in 2000 spraken de EU-leiders af dat de Europese economie in 2010 de meest concurrerende en dynamische moest worden.). Hiervoor blijven arbeidsmarkthervormingen nodig. De werkgelegenheid verslechterde vorig jaar in de helft van de lidstaten, waaronder Nederland.

In de EU-industrie kwamen er sinds 1998 380.000 banen bij, terwijl de VS 2,5 miljoen industriële banen verloren. Volgens een functionaris, die het rapport presenteerde, is het effect van verplaatsing van industrieën naar landen met lagere lonen ,,zeer beperkt''. Slechts 2,5 procent van het banenverlies in de industrie kan hierdoor worden verklaard.

In de dienstensector doen de VS het veel beter. Volgens het rapport hebben de verschillen tussen de EU en de VS wat betreft de structuur van de werkgelegenheid vooral te maken met verschillen in de consumptiepatronen. In de VS wordt veel meer geconsumeerd.

De grote vraag naar diensten in de VS heeft veel te maken met de grotere arbeidsparticipatie van vrouwen en ouderen. Hun persceptief op een baan moet worden verbeterd door arbeidsmarkthervormingen. Bovendien moet de EU grotere inspanningen doen om de dienstensector te stimuleren. Het wegnemen van barrières op de interne EU-markt kan hieraan bijdragen.

Er is volgens het rapport ,,geen duidelijk bewijs'' voor de conventionele opvatting dat verschillen in de structuur van de werkgelegenheid tussen de EU en de VS het gevolg zijn van rigide beloningssystemen en een minder gunstige ontwikkeling van de productiviteit, waardoor laaggeschoolden moeilijker werk zouden vinden.