Eindhoven autostad

Eindhoven is nog steeds de meest Amerikaanse stad van Nederland. Dat merkte Tijs van den Boomen toen hij een paar maanden naar zijn geboortestad terugkeerde om een boek over de stad te schrijven.

`Naar de stad gaan' is in mijn herinnering onlosmakelijk verbonden met rondjes rijden op uitgestrekte parkeervlaktes, op zoek naar een plaatsje zo dicht mogelijk bij de winkel waar mijn moeder naartoe wilde. Vervolgens kreeg ik opdracht om me zorgvuldig in te prenten waar de auto precies stond, op straffe van een eindeloze zoektocht bij terugkeer.

We woonden in een buitenwijk van Eindhoven en `de stad' was de aanduiding voor het centrum. En bij dat centrum hoorden parkeerterreinen, zoals grachten bij de binnenstad van Amsterdam en pleinen bij het Haagse centrum.

Eindhoven is geen organisch gegroeide stad: in de jaren twintig was het een boomtown, tijdens de Tweede Wereldoorlog is het flink gebombardeerd en in de jaren zestig en zeventig hadden stadsplanners vrij spel. Het resultaat is een fragmentarische stad, vol merkwaardige restruimtes en braakliggende terreinen. En net als in Amerikaanse steden werden deze plekken in autostad Eindhoven gretig in gebruik genomen als parkeerterreinen.

Een deel van die parking lots is inmiddels volgebouwd en de stad heeft zelfs parkeergarages moeten bouwen, maar nog steeds heeft het Eindhovense centrum de grootste dichtheid aan parkeerplaatsen van Nederland: ruim zeven parkeerplaatsen per honderd vierkante meter winkeloppervlak, tweemaal zo veel als de binnensteden van bijvoorbeeld Groningen en Utrecht. Ideaal voor funshoppers.

Echte Eindhovenaren gaan natuurlijk niet in een parkeergarage staan. Net zo min als ze vrijwillig parkeergeld betalen. Geld uitgeven om je auto stil te laten staan, dat vinden ze meer iets voor de Randstad. Dus grossiert mijn moeder nog steeds in tips and tricks om je auto gratis kwijt te kunnen. Ze weet slagbomen die je kunt omzeilen en parkeerterreinen achter winkels waar je voor de vorm even binnenloopt om vervolgens de stad in te gaan.

De fragmentarische opbouw van Eindhoven is niet alleen gunstig voor automobilisten, het maakt de stad vreemd genoeg ook spannend voor flaneurs. Er zijn namelijk weinig steden die zo onbeschaamd hun achterkant laten zien.

Historische steden hebben hun rommel keurig opgeborgen in gesloten bouwblokken, van de chaos zie je alleen wat als je ze per trein binnenrijdt of als je op een balkon staat dat uitkijkt over een binnenterrein. En moderne steden hebben helemaal geen achterkant meer, aan alle kanten is rekening gehouden met de blik van de voorbijganger.

Zo niet in Eindhoven: meteen achter de hoofdstraten ligt een parallelle wereld van distributiestraten, brandgangen en achterommetjes. Hier vind je de nooduitgangen, brandtrappen, dienstingangen, schuurtjes en loodsen. En geen hek of verbodsbord houdt je tegen.

Je zou hier zo een film noir of een horrormovie kunnen opnemen, graffiti en vuilcontainers in overvloed. Maar reken binnen de kortste keren wel op een politieautootje dat nadrukkelijk langs komt rijden om te kijken `wat we hier aan het doen zijn'. Want de wijkagent gaat in een autostad natuurlijk niet te voet en camera's hebben hem allang van je komst verwittigd.

    • Tijs van den Boomen