Een vieze bak Vlaamse leut

Er zijn grote romans die met mindere zinnen beginnen dan deze regels uit Dinsdagland, het nieuwe boek van Dimitri Verhulst. `Mijn moeder had een zeer Vlaamse en poëtische smaak wat mannen betrof, hoewel ik mij kan voorstellen dat ze dat zelf moet hebben betreurd. Op vrijersvoeten sloeg ze steeds een postbode aan de haak. Vijf postbodes zijn aan mijn vader voorafgegaan, hij was de zesde facteur in haar leven en diegene waardoor ze haar lotsbestemming eindelijk leek te hebben aanvaard. Tien jaar en een hoop aframmelingen later hertrouwde ze met een een kermiscourreur uit het op alle vlakken ontgoochelende geslacht van de familie Bloemkool.'

Dinsdagland is echter geen roman, maar een verzameling met zestien `Schetsen van België', waarvan de meeste eerder zijn verschenen in De Morgen. Op het eerste gezicht heeft dat iets teleurstellends. Want na drie korte romans en de uitstekende gefictionaliseerde reportage Problemski hotel (2003) over de beestenbende in een asielzoekerscentrum heb je het idee dat het eigenlijk tijd wordt voor een grote roman van Verhulst (1972). Hij is een van de grootste, meest woeste talenten van de Vlaamse letteren, die het in zich heeft een roman te schrijven zoals een eenentwintigste-eeuwse Louis Paul Boon dat zou doen.

Maar belangrijker dan die lichte teleurstelling is de vreugde over het niveau van Dinsdagland. Het boek ontleent zijn titel aan de grap over de Amerikaan die in veertien dagen heel Europa `doet' en op zekere dag constateert: `It's Tuesday, this must be Belgium.' Pas aan het einde van het boek komt de term `Dinsdagland' ter sprake, maar zonder dat duidelijk wordt wat Verhulst er precies mee bedoelt. Koffie drinkend in het troosteloze, vieze dorp Zwankendamme kijkt hij om zich heen. `In de hoek van de kroeg staat een nagemaakt oerwoud in een glazen bak, volgens de uitbater zitten er twee leguanen in. Perfect gecamoufleerd.' Op weinig plaatsen ter wereld lijkt het leven zinlozer of lelijker. `Er overvalt mij een gevoel van dinsdagheid. Hier is het dinsdag, alle dagen, ik weet het zeker. Dit is een dinsdags land.'

De onderwerpen in Dinsdagland zijn Vlaamser dan Vlaams: wielrennen, kaatsen, carnaval, bedevaart, dansmiddagen – Verhulst is niet bang een schrijver `van onder de kerktorens te zijn'. Hij zet het klassieke België van de kleine man af tegen het moderne kraak- en smaakloze land. Verheerlijkt wordt de oude wereld van folklore en zatlappen echter allerminst: de vaders slaan, de sporten zijn goeddeels onbegrijpelijk en als je op de camping te dicht bij je landgenoten in de buurt bent, verga je van het rochelen en kokhalzen. Je vrouw is ook al niet veilig, blijkt in de kantine: `Het lekkere wijf dat ze in het vizier kregen, waar ze het meteen over hadden en die ze best eens manhaftig op hun knie wensten te leggen, stond aan de deur, en was toevallig mijn lief.' Net als in zijn eerdere boeken denderen ook in Dinsdagland Verhulsts zinnen woedend en virtuoos voort; het enige nadeel van die rauwe stijl is dat zijn beschrijvingen soms zo plastisch zijn, dat het onsmakelijk wordt.

Journalistiek in de ambachtelijke zin van het woord zijn de stukken van Verhulst niet – wat hij gemeen heeft met het journalistieke werk van Boon. De verslaglegging loopt vaak op een mislukking uit: in Zwankendamme was Verhulst op zoek naar een gezin met acht tweelingen, maar hij trof na lang zoeken (`Cardon? Welke Cardon? De helft van het dorp heet hier Cardon.') slechts een vrouw die de jongste van twintig kinderen was `maar daar waren maar twee tweelingen bij van wie twee telgen niet ouder zijn geworden dan vier'.

Iets gelijksoortigs gebeurt in het eerste stuk, waarin Verhulst zich voorneemt een reportage over wedstrijdduiven te maken, meereizend in de wagon met de dieren. Dat komt er niet van: wegens de vogelpest sluit Frankrijk zijn grenzen. Weg wagonreportage, maar het stuk komt er desalniettemin, gedragen door een psychologie van de duivenmelker en een fenomenale beschrijving van de vete tussen de Verhulsten en de `Bloemkolen'. Hoogtepunt daarin was hoe de kinderen Verhulst opdracht kregen in de tuin te voetballen en de bal flink hoog in de lucht te schieten, opdat de terugkerende duiven van buurman Bloemkool afgeschrikt en dus vertraagd zouden worden.

De zinnen van Verhulst worden meer gestuurd door de verbeelding dan door de realiteit, van `de goten zullen nauwelijks het snot de hemelen kunnen slikken' tot `Mijn vader was een prachtige vrouw, zijn benen waren die van een passer maar ze dichthouden kon hij niet', over carnaval. Dat laatste evenement beschrijft hij met grote weerzin: `Alles wat de Aalstenaar op de maag ligt moet eruit, langs alle gaten, in alle geuren, tegen gevels en deuren.' Daarbij komen nog kinderen die zich in coma drinken en extreem-rechtse oprispingen. Maar toch: `wanneer Aalst, het Aalst dat ik liefheb, mijn Aalst dat ik haat, zich opmaakt voor carnaval, trek ik de kleerkast van een ander open, en keer ik weer.' Die dubbelhartige houding tot Aalst wordt vergroot in zijn verhouding tot België en – onvermijdelijk – tot de rest van de wereld. Mensen zijn beesten en Verhulst weet walgend dat hij erbij hoort. Daar gaat nog veel moois van komen.

Dimitri Verhulst: Dinsdagland. Schetsen van België. Contact, 176 blz. €16,90

    • Arjen Fortuin