Een beul vindt nooit meer een schone lei

In de eerste zwarte republiek ter wereld, Haïti, heerst nog steeds chaos, armoede en terreur. Geen schrijver van dat eiland ontkomt aan zijn woede en onmacht. Maar ook de dromen leven voort.

In 1939 bracht de grote dichter Aimé Césaire in zijn Cahier d'un retour au pays natal een ode aan Haïti. Hier was de eerste zwarte republiek uitgeroepen na een opstand van slaven, hier was de `négritude' opgestaan, hier was er geloof in de toekomst – ook voor de onderdrukten. Het neologisme `négritude', provocerend afgeleid van het pejoratieve `nègre, werd een ideologisch en literair begrip. Het benadrukte de collectieve identiteit van de Afrikaanse diaspora, het verzet tegen koloniale overheersing en de soms militante zoektocht naar identiteit en eigenheid.

Het is inmiddels tweehonderd jaar geleden dat Jean-Jacques Dessalines de Fransen van het eiland verdreef en de republiek uitriep. Twee jaar later werd hij vermoord en ook de republiek was geen lang leven beschoren. Nog steeds volgt op Haïti de ene staatsgreep op de andere, nog steeds wordt het volk geterroriseerd door opeenvolgende militaire regimes. Eerder dit jaar moest de in 1990 gekozen priester Jean-Bertrand Aristide na bloedige gevechten het veld ruimen.

Toch werd in Frankrijk uitgebreid stilgestaan bij het bicentenaire van de eerste zwarte republiek. Veel Haïtiaanse auteurs bezochten Franse literaire festivals waar zij eregasten waren. Het festival `Etonnants Voyageurs' in St. Malo was dit jaar geheel aan de Caraïbische literatuur gewijd en vorige maand was Haïti het thema van de `Salon du Livre insulaire' op het eiland Ouessant, voor de Bretonse kust. Paradis brisé heet, heel toepasselijk, de bundel met korte Caraïbische verhalen, die in St. Malo werd gepresenteerd. Het is een prachtige kennismaking met de literatuur van Haïti, Guadeloupe, Martinique en andere Franstalige Antilliaanse eilanden. Naast teksten van groten als Edouard Glissant en Raphaël Confiant zijn ook verhalen van jongere auteurs opgenomen. De verhalen van de Haïtianen gaan bijna zonder uitzondering over de geschiedenis van Haïti of over het dagelijks leven op het eiland, over geweld, willekeur en verscheurde families. De verhalen zijn even chaotisch, even heftig als de geschiedenis van Haïti zelf.

Mythe

Voor het eerst verscheen in Frankrijk, 34 jaar na dato, Ultravocal van Frankétienne (1936, een samenvoeging van Frank Etienne), een literaire en politieke mythe in zijn geboorteland. Zijn blanke huid en blauwe ogen, die hem tijdens menige dictatuur het leven redden, erfde hij van zijn vader, een Amerikaan die een kortstondige `coup de foudre' opvatte voor een 13-jarig meisje dat hij in het veld aan het werk zag en dat prompt zijn moeder werd. Frankétienne schreef een groot oeuvre, in zijn geheel onder eigen beheer gedrukt, want dat is de enige manier om iets te publiceren in Haïti, aangezien de wankelende economie geen uitgeversstructuren kent. Met pen en penseel (Frankétienne is ook een populair toneelschrijver en schilder) vecht hij tegen degenen die de barbaarsheid in zijn land in stand houden. Hij stond aan de wieg van het spiralisme, een beweging zonder theorie of lidmaatschap, die zich ten doel stelt met alle literaire middelen te getuigen van de chaos waarin het land zich bevindt. Frankétienne gaat daar ver in. Zijn `esthetiek van het verval' laat de Franse taal exploderen op een manier die misschien alleen te vergelijken valt met de stijl van de vorig jaar overleden Ahmadou Kourouma.

Ultravocal bestaat uit korte fragmenten, beschrijvingen, prozagedichten, kreten, opsommingen, een veelheid van stemmen, waarbij de klank en de vorm van de tekst even belangrijk zijn als de inhoud. Het boek is een metafoor voor de strijd tegen het kwaad, waarin iedere plot ontbreekt. In zijn voorwoord moedigt de auteur de lezer aan kris kras fragmenten te lezen en zo zijn eigen dwaaltocht te ondernemen. Zelf had hij liever geen paginering in zijn boek gezien en ook de naam van de auteur is volgens hem volledig overbodig. De lezer moet zelf uit het labyrint van gedachten, stilten en symbolen zien te komen en zijn eigen conclusies trekken.

Dat François Duvalier (`papa Doc') en zijn zoon (`baby Doc') Frankétienne bedreigden en meermalen oppakten, was niet vanwege zijn romans. In een land dat grotendeels analfabeet is, is slechts orale literatuur – poëzie en toneel – subversief en bedreigend voor een dictatoriaal regime. Het waren zijn toneelstukken waarmee Frankétienne zijn leven riskeerde. Toch ging hij, in tegenstelling tot veel andere Haïtiaanse intellectuelen, nooit in ballingschap.

Hetzelfde geldt voor Lyonel Trouillot (1956), die zijn gedichten in het Creools publiceert en zijn romans in het Frans. Deze docent literatuur aan de universiteit van Port-au-Prince was woordvoerder van het collectief `Non', een vijftigtal schrijvers, dichters, zangers en beeldend kunstenaars dat recent oppositie voerde tegen het repressieve bewind van Aristide.

Drie van Trouillots romans zijn nu bij Actes Sud verschenen, waaronder Les enfants des héros. Met zijn werk illustreert hij zijn stelling dat alleen verbeelding en scheppingsvermogen de monddood gemaakte burger in staat stellen om zijn woede en zijn frustratie te uiten. Alleen in de kunst kan de spanning zichtbaar worden gemaakt tussen dat wat gezegd moet worden en de gelijktijdige onmogelijkheid daarvan. Dromen maken een flink deel uit van de Haïtiaanse overlevingstechnieken, literair of niet. Trouillots personages zijn `gewone' Haïtianen, die honger lijden, geen dak boven hun hoofd hebben en wier familieleden met de regelmaat van de klok om onnaspeurbare redenen van hun bed gelicht worden en spoorloos verdwijnen.

In Les enfants des héros zijn het een broer en een zus die het op een dag niet meer verdragen dat hun vader hun moeder dagelijks knock-out slaat. In een opwelling vermoorden ze hem met een sleutel uit zijn eigen gereedschapskist. Maar zijn ze nu schuldig? Zijn ze moordenaars of handelden ze gewoon volgens de in de bidonville gangbare wetten van het geweld? Geweld is een onderdeel van het dagelijks leven, gelden er nog grenzen? In een doorgaande vloed van monologue intérieur en flash-backs, doemt het beeld op van verscheurde gezinnen waarin een ieder op zijn eigen manier lijdt onder repressie, armoede en uitzichtloosheid. De kinderen hebben geen enkele kans op onderwijs, op een zinvolle toekomst. De ouders hebben dat pad al tot het einde toe beleefd en zijn murw en gevoelloos geworden, iedere hoop is hun ontnomen. Er schemert woede in Trouillots toon, hoe poëtisch ook, woede over zijn onmacht en over de uitzichtloosheid van het Haïtiaanse bestaan.

Materieel

Degenen die hun land ontvluchtten ging het beter. Tenminste in materieel opzicht. Daarvan getuigt bijvoorbeeld het werk van Dany Laferrière, die op 23-jarige leeftijd naar Québec vertrok om aan een inmiddels al omvangrijk literair oeuvre te bouwen. Zijn debuutroman uit 1985, Comment faire l'amour avec un nègre sans se fatiguer, een satire op de Noord-Amerikaanse, in zijn ogen xenofobe samenleving, zorgde voor een flinke rel in het Franstalige literaire landschap van Québec.

Ook Edwidge Danticat (1969) verliet Haïti. Op haar elfde voegde ze zich bij haar ouders in New York en haar schrijverschap ontwikkelde zich onder invloed van Amerikaanse cursussen `creative writing', die ze tegenwoordig ook doceert. Dat levert heel andere literatuur op dan die van haar Franstalige collega's. Terwijl die het Frans in al haar voegen laten kraken, experimenteren met klank en vorm en hun innerlijke chaos laten ontploffen in taal, voegt Danticat zich naar de regels van de traditionele, leesbare roman. Het tableau van Haïtiaanse emigranten uit haar onlangs in vertaling verschenen boek, De dauwbreker, heeft niets weg van het emotionele vuurwerk van haar Franstalige collegas, maar is degelijk geconstrueerd. Ze vertelt in ieder hoofdstuk het levensverhaal van een emigrant die zijn geboorteland heeft verlaten om in de VS een nieuw leven op te bouwen. Langzaam grijpen de verhalen in elkaar. Mensen blijken aan elkaar verwant te zijn, levens blijken elkaar te raken. Danticats Haïtianen mogen dan hun land en de dictatuur ontvlucht zijn, ze zitten, ook in hun nieuwe leven, nog steeds verstrikt in een netwerk van herinneringen, in een verleden dat ze niet zomaar achter zich kunnen laten.

Dat geldt voor de slachtoffers, maar ook voor de `dauwbreker' uit de titel, een beul die in opdracht van de militairen voor dag en dauw mensen van hun bed lichtte, martelde en vermoordde. In zijn nieuwe vaderland zoekt de voormalige beul de anonimiteit en een schone lei, maar, zo laat Danticat zien, niemand ontsnapt aan zijn verleden. Daarmee schaart Danticat zich in het koor van Haïtiaanse schrijvers die, binnen of buiten de grenzen van het eiland, aandacht vragen voor hun volk, een volk dat nog steeds niet heeft kunnen ervaren hoe het is om in vrijheid te leven.

Paradis brisé, Nouvelles des Caraïbes. Hoëbeke, 253 blz. €18,–

Frankétienne: Ultravocal. Hoëbeke, 307 blz. €23,50

Lyonel Trouillot: Les enfants des héros. Actes Sud, 135 blz. €13,90

Edwidge Danticat: De dauwbreker. Vertaald uit het Engels door Nicolette Hoekmeijer. Bezige Bij, 224 blz. €19,90