De evenwichtsbalk als reddingsboei

In een serie over heruitgegeven klassieken deze week

`Liefde en gymnastiek' van Edmondo De Amicis (Uit het Italiaans vertaald door Anthonie Kee. Bert Bakker, 144 blz. euro 15,–)

Edmondo De Amicis (1846-1908) geloofde in de maakbaarheid van de wereld. En dat je met gezond verstand een heel eind kunt komen als je het hart maar op de goede plek hebt. Tal van generaties Italiaanse schoolkinderen kregen die boodschap op liefdevolle maar enigszins paternalistische wijze ingeprent dankzij het boek Cuore (1886). Ook in zijn stijlvolle, compacte roman Liefde en gymnastiek (nu in een nieuwe vertaling) schoolmeestert De Amicis erop los, met een glimlach hier en een knipoog daar. Ditmaal is de moraal van het verhaal: ook met de liefde komt het uiteindelijk wel goed, als je maar genoeg rek- en strekoefeningen doet, met overgave welteverstaan.

In dat verhaal moeten twee personages deze stelling bewijzen. De ene is een man, Don Celzani, secretaris en rentmeester van zijn oom, die een pand in Turijn bezit. Schuchter, ridderlijk, ijverig, met een priesterlijk voorkomen. Maar ook: hunkerend, hartstochtelijk, tot hevige vernedering bereid. De andere protagonist is juffrouw Pedani, gymnastieklerares, apostel van de `lichamelijke regeneratie' van het menselijk ras. In het bezit van `volmaakte proporties', schitterende vrouwenarmen, een `mannelijk karakter' en een robuust charisma. Tevens: immuun voor de liefde, wars van koketterie, begiftigd met oergezonde eerzucht. Op de trap van het pand dat zij bewonen komen deze zo verschillende karakters elkaar dagelijks tegen. Dat is het slagveld, het spanningsveld waar de vonken moeten overslaan.

Vooralsnog knettert het echter alleen in de zenuwbanen van de brave secretaris, want de hartstocht van juffrouw Pedani is uitsluitend gericht op de lichamelijke opvoeding en haar overtuiging dat die tot `een wedergeboorte van een hele samenleving' zal leiden. Maandenlang moet hij zich tevredenstellen met steelse blikken op dat majesteitelijke lijf en de opwindende geluiden die haar neervallende laarsjes maken als zij zich ontkleedt in de woning boven hem. Hij besluit haar een brief te schrijven waarin hij zijn nobele doch vlammende gevoelens jegens haar kenbaar maakt. Hij krijgt nul op rekest. Maar hij geeft niet op, verandert van tactiek, wint haar vertrouwen door zich te verdiepen in datgene wat haar van hem weghoudt: de gymnastiek.

Het gaat er Spartaans aan toe in deze liefdesgeschiedenis, die overigens in lenige zinnen wordt verteld, met dezelfde kracht en gratie die juffrouw Pedani bezit. Net zo onverzettelijk als de onderwijzeres ijvert voor haar opvoedkundige idealen klampt de secretaris zich vast aan zijn missie om de weerstand van deze vrouw en de collateral damage (kwaadsprekerij, rivalen, dreigend ontslag) te overwinnen. Maar terwijl haar ster steeds sterker straalt, zakt hij allengs verder in de droesem van de wanhoop. De strijd lijkt gestreden als zij een ondubbelzinnig nee geeft op zijn huwelijksaanzoek. Pas wanneer hij als kersvers lid van een gymnastiekvereniging van de evenwichtsbalk tuimelt (o symboliek!) en met een bandage om het hoofd zijn schone tegemoet treedt, lijkt hij voor het eerst een zekere tederheid in haar los te woelen. Zal die gepantserde wanhoop dan toch nog uitbetaald worden?

In hetzelfde jaar (1892) dat De Amicis' roman verscheen kwam tevens Svevo's debuut Een leven uit. De overeenkomsten zijn frappant: ook hier een bedeesde, dromerige antiheld die het hart van een ogenschijnlijk onbereikbare jongedame probeert te roven en zich daarbij in een onmogelijk parket manoeuvreert. Boeiender zijn evenwel de verschillen. Waar De Amicis nog netjes een alwetende verteller de wei in stuurt, laat de innovatieve Svevo het perspectief onophoudelijk kantelen, nu eens bivakkerend in het verwarde hoofd van het hoofdpersonage, dan weer als een roofvogel rond dat hoofd cirkelend. Ook het profiel van de held is ontegenzeggelijk moderner bij Svevo: diens onophoudelijk wikkende en wegende kantoorklerk fluit zichzelf steeds weer terug terwijl de secretaris van De Amicis een roekeloze romanticus is die met een blind optimisme ten strijde trekt.

Bij Svevo is de wereld niet welwillend, hebben de mensen geen nobele inborst, monden idealen uit in illusies en leiden de gymnastische toeren van hoofd en hart slechts tot verkramping. De Amicis daarentegen heeft een rotsvast geloof in een happy ending – een van de redenen waarom hij als schrijver de mindere is van Svevo. Hetgeen niet wegneemt dat Liefde en gymnastiek een buitengewoon weldadig effect heeft op de lezer, als een verfrissend glas citroenlimonade op een benauwde dag.