Bosnië `niet klaar' voor berechting van verdachten

Bosnië-Herzegovina is niet klaar om nu al verdachten van het Joegoslavië-tribunaal in eigen land te berechten. Dat heeft Bernard Fassier, plaatsvervanger van Bosnië-bestuurder Paddy Ashdown, in een brief aan president Meron van het VN-hof laten weten. Fassier is in Bosnië tevens vertegenwoordiger van de Europese Unie en hij is verantwoordelijk voor de hervorming van het rechtsstelsel.

Fassier acht het momenteel ,,onwenselijk'' dat er van oorlogsmisdaden verdachte mensen worden teruggestuurd naar Bosnië om daar berecht te worden. Voor januari 2005 heeft het land geen mogelijkheden om processen te voeren die voldoen aan internationale juridische standaarden, aldus Fassier. Mochten er verdachten worden gestuurd dan kan dit zelfs vertragend werken op de pogingen om in Sarajevo een rechtbank op te zetten die oorlogsmisdadigers moet gaan berechten.

De aanklagers van het Joegoslavië-tribunaal hadden rechters in Den Haag gevraagd de zaak tegen vier Bosnische Serviërs terug te verwijzen naar het hof in Bosnië. De vier mannen hebben zich volgens de aanklacht schuldig gemaakt aan misdaden begaan in de kampen Omarska en Keraterm. Het gaat om zogenoemde relatief `kleine vissen' en dat is de reden voor VN-aanklegers om de zaak terug te verwijzen naar Bosnïe-Herzegovina. Den Haag wil zich concentreren op de grote zaken omdat over vier jaar de strafzaken moeten zijn afgerond.

Het Servische persbureau Tanjug meldt vanuit New York dat de speciale Amerikaanse gezant voor oorlogsmisdaden Pierre-Richard Prosper de Servische regering heeft gewaarschuwd dat ze de kwestie van samenwerking met het Joegoslavië-tribunaal alleen kan oplossen als ze de vroegere legerleider van de Bosnische Serviërs, Ratko Mladic, uitlevert. Pas daarna zal Belgrado verdachten van oorlogsmisdaden in eigen land kunnen berechten, inclusief de vier generaals die het Joegoslavië-tribunaal opeist en die Servië niet wil uitleveren. Levert ze Mladic niet uit, dan volgen sancties, zo zei Prosper gisteren tegen de minister van Buitenlandse Zaken van de unie Servië en Montenegro, Vuk Draškovic. ,,De internationale gemeenschap begint haar geduld te verliezen, en wel zozeer dat sommigen aan mogelijke consequenties gaan denken'', zo zei Prosper.

Van Servië is geëist dat het Mladic uiterlijk op 1 oktober uitlevert aan het Joegoslavië-tribunaal. Prosper wilde gisteren niet ingaan op de vraag of er internationale sancties tegen Servië en Montenegro komen als Mladic op die dag inderdaad niet is uitgeleverd. Hij zei dat er ,,spoedig'' overleg met de regering in Belgrado plaatsvindt over de kwestie van Mladic' uitlevering, maar gaf geen details.