Altijd achtervolgd door zijn `tweehonderd'

Hij was een `voorkind', zoals dat toen heette, wiens geboorte werd gelegaliseerd door het huwelijk van zijn moeder. Althans, dat schrijft hij in zijn nagelaten autobiografie. Maar Jan Mertens' natuurlijke vader was niet zijn juridisch vastgelegde vader. Hij werd verwekt door een notaris, die niet zijn moeder wilde trouwen, maar wel een op zijn zoons naam gesteld spaarbankboekje meegaf. Toen zijn echte vader er later met een boerenmeid vandoor ging, nam hij dat spaarbankboekje ook mee.

Hij was de oudste, ging op zijn tiende na school werken, boodschappen rondbrengen tot een uur of acht. Het gezin leefde van moeders werk, zijn bijbaan, de Vincentiusvereniging en het armenbestuur, een afhankelijke en vernederende situatie, die zijn latere opvattingen en daden zouden stimuleren. Hij groeide op in de jaren twintig en dertig in Dongen, een stad met 10.000 inwoners, vrijwel allemaal rooms-katholiek. Hij had alleen lagere school, wilde journalist of schrijver worden, maar werd typograaf. Hij wilde dolgraag lid worden van de vakbond, maar werd geweigerd, omdat zijn patroon, zoals zijn werkgever toen heette, geen lid was van de werkgeversclub.

Toch schopte hij het ver. Na de oorlog werd hij voorzitter van dé beweging, de Katholieke Arbeidersbeweging (KAB), later omgedoopt in NKV, dat later met het NVV tot het FNV is gefuseerd. Hij was president-commissaris van de Perscombinatie, toen nog de uitgever van alleen de Volkskrant en het Parool, nu de grootste krantenuitgever van Nederland, waarbij ook NRC Handelsblad verschijnt.

Hij was staatssecretaris van Sociale Zaken in het kabinet Den Uyl (1973-1977), toen, zo wil de overlevering, de verbeelding even aan de macht was. Bovenal voegde hij een uitdrukking toe aan het politiek-economische idioom, toen hij in 1968 in Sneek de ongecontroleerde economische macht laakte van een netwerk van tweehonderd commissarissen, curatoren van universiteiten en leden van de Sociaal-Economische Raad, het belangrijkste adviesforum op dat gebied van het kabinet. De `tweehonderd van Mertens', zo schrijft hij zelf, zouden hem de rest van zijn leven achtervolgen. De `tweehonderd' werkten als een van de katalysatoren voor wetgeving die de positie van werknemers in de onderneming aanzienlijk zou verbeteren en bedrijven zou dwingen betere én openbare jaarverslagen te produceren.

Mijn leven als vakbondsman en politicus heet de nagelaten autobiografie van P.J.J.M. (Jan) Mertens, 1916-2000. Het was oorspronkelijk een egodocument van 2.200 pagina's, bijna anderhalf miljoen woorden, dat door journalist Arie Kuiper (ex-redacteur buitenland van het katholieke dagblad De Tijd, later hoofdredacteur van het gelijknamige weekblad) werd teruggebracht tot 359 bladzijden. Erg jammer is dat de uitgever geen namenregister aan het boek heeft toegevoegd. Een nalatigheid die des te meer bevreemdt omdat het boek voorkomt uit de ijver van het Katholiek Documentencentrum om de voormannen van de beweging aan te sporen hun herinneringen op papier te zetten.

Mertens' autobiografie is meer geslaagd als tijds- en egodocument dan als verslag, laat staan verantwoording, van een sociaal-economisch politicus en vakbondsman. Over zijn werk in de top van de vakbeweging, over de (geleide) loonpolitiek en zijn rol in het kabinet-Den Uyl komt de lezer weinig te weten. Het egodocument maakt dat meer dan goed. Hij vertelt, soms met ingehouden woede, niet over het rijke, maar over het arme roomse leven en over de onrechtvaardigheden die de arbeider ten deel vielen. Hij schetst nauwkeurig zijn loopbaan: van de lokale, naar de regionale, naar de landelijke katholieke vakbeweging, vol organisaties (Jonge Werkman), maar ook bladen (De Tijd, de Nieuwe Linie), die sinds de jaren zeventig of al eerder zijn opgehouden te bestaan. Zonder schroom schetst hij steeds dezelfde aarzeling als hij een stapje hoger op de carrièreladder van de vakbond wordt geduwd. Steeds zijn het anderen die hem rijp vinden, hijzelf aarzelt. Zou hij wel goed genoeg zijn?

Het is niet alleen een tijdsbeeld van de tanende eigen katholieke vakbeweging, maar ook van een radicale breuk in het karakter van de beweging. De KAB was niet alleen een beweging, maar ook een bedrijf op zichzelf, met een krant (de Volkskrant), een eigen drukkerij, een sanatorium, een eigen spaarbank, een eigen verzekeraar. Stukje bij beetje werd het bedrijf ontmanteld, de moderne arbeider bleek steeds minder animo te hebben voor zuil-producten.

Mertens beschrijft niet alleen zijn eigen loopbaan, maar ook zijn carrière thuis. Langzaam maar zeker komen de verworvenheden van de welvaartstaat in huize-Mertens: huishoudelijke machines, een auto waarin hij door het land toert, de eerste vakanties, een groter (koop)huis.

Zelf was Jan Mertens bijna altijd weg. Op pad voor de beweging. Hij lijkt de ongewilde paradox van de vakbondsman die alles inzet voor verbetering van het lot van de arbeider, maar zelf mede dankzij huiselijke problemen soms huilend in de auto en met enige regelmaat tegen overspannenheid aanzit. Als het boek een held heeft, is dat zijn vrouw, Riet, die bijna ten koste van haar eigen gezondheid een gezin met tien kinderen opvoedde. Opoffering met een hoofdletter, tot en met een vrijwillig volgen als Jan op zijn 81ste op de gesloten afdeling van een verzorgingshuis moet worden opgenomen. Zij overleeft hem met twee jaar.

Ook toen het thuis zo moeilijk ging, was Mertens als vakbondsvoorzitter te trots om te solliciteren op banen die meer rust en meer salaris zouden geven; dat zag hij als verraad aan de beweging. Als NKV-voorzitter verdiende hij in 1969 26.628 gulden, schrijft hij op gezag van de Haagsche Courant, als staatssecretaris kreeg hij 95.000 gulden. Dat bedrag was door het kabinet-Den Uyl zelf verlaagd (met bijna 8,000 gulden voor staatssecretarissen en 15.000 voor ministers).

Na zijn vertrek uit de politiek nam hij maar één commissariaat, bij Concordia, de toenmalige verzekeraar van de FNV. Als de man van de `tweehonderd' kon hij niet anders vond hij. Vakbondsopvolgers, zoals Wim Kok, dachten daar later anders over.

Jan Mertens: Mijn leven als vakbondsman en politicus. Bewerkt door Arie Kuiper. Valkhof Pers, 359 blz. €18,–