WW-maatregel vereist betere overgangsregeling

Het kabinet heeft gelijk dat het de WW als vluchtroute voor vervroegde uittreding wil afsnijden. Maar de manier waarop het kabinet dat wil realiseren, is in veel gevallen nodeloos hard, menen Lans Bovenberg en Ab Klink.

Er is de afgelopen weken commotie ontstaan over het plan van het kabinet om ontslagvergoedingen voortaan te verrekenen met de werkloosheidsuitkering. Het van de werkgever ontvangen bedrag wordt linea recta van de WW-uitkering afgehaald. Een op grond van een CAO of sociaal plan toegekende aanvulling op de WW-uitkering heeft dan weinig zin meer.

Dit zal het einde van veel aanvullingen op een WW-uitkering betekenen. Voor velen zal hierdoor sprake zijn van een aanzienlijke inkomensterugval als zij werkloos worden. De WW-uitkering kent immers een maximum. Dat is nu circa 2.500 euro bruto per maand. Een hoger bedrag zit er voor niemand meer in. Tenzij de werkgever ook het bedrag van de WW-uitkering helemaal zelf gaat betalen.

Het kabinet heeft gelijk met het aanpakken van de opeenstapeling van uitkeringen.

Nu WAO en prepensioen als routes voor vervroegde uittreding worden afgesloten, dreigt de WW de vluchtroute te worden. Deze routes maken het veel te gemakkelijk om slecht onderhoud van de kennis en vaardigheden van personeel af te wentelen op het collectief. De talenten van mensen worden zo onnodig afgeschreven. Het stapelen van uitkeringen is evenmin een uitnodiging om zo snel mogelijk te zoeken naar ander werk.

Wel moet een onderscheid worden gemaakt tussen een bedrag ineens (de handdruk) en via CAO's of sociale plannen afgesproken boven- of nawettelijke uitkeringen. In het eerste geval is het financieel aantrekkelijk zo snel mogelijk een baan te vinden, omdat men de handdruk mag behouden als men een baan vindt.

In het andere geval is dat niet zo, want dan raakt men de aanvulling op de uitkering kwijt als men een nieuwe betrekking heeft gevonden. Naarmate dergelijke rechten rianter zijn, is de prikkel geringer om snel en gericht werk te zoeken.

Neem de rijksambtenaren. Zij krijgen de eerste jaren van hun werkloosheid 70 procent van hun laatstgenoten loon. Dat is vaak veel meer dan het wettelijke maximum van 2.500 euro per maand. Daarnaast profiteren zij van een riante nawettelijke regeling. Nadat de wettelijke periode is verstreken waarbinnen mensen recht hebben op WW, gaat de uitkering van ambtenaren nog gewoon door. Is iemand twintig jaar ambtenaar, dan loopt de uitkering zelfs tien jaar lang door. Deze regelingen zijn niet alleen duur voor de belastingbetaler, zij prikkelen ook niet tot het snel zoeken van werk. Het kabinet moet ook deze regelingen aanpakken, nu het in de private sector de eigen verantwoordelijkheid voor het koesteren van de talenten van mensen wil versterken.

Het is terecht dat het kabinet misbruik van de WW als vervroegde uittredingsregeling wil voorkomen. Maar voor velen is het terugvallen op het genoemde maximum van 2.500 euro per maand een forse inkomensklap. Men name oudere werknemers wier vaardigheden onvoldoende zijn onderhouden worden hierdoor kwetsbaar en onzeker. Ook al omdat de ontslagvergoeding nu nog een barrière is om – met name oudere – werknemers te ontslaan. Daarom is het zinvol de maatregelen sociaal in te bedden.

Dat kan door aan te sluiten bij de levensloopregeling. Die biedt mensen straks de mogelijkheid belastingvrij te sparen om zo een buffer op te bouwen voor perioden waarin het inkomen wegvalt of waarin men ervoor kiest bij- of om te scholen. Het kabinet wil een opbouw van 150 procent van het salaris mogelijk maken. Het saldo kan men gebruiken om de inkomensterugval bij werkloosheid te overbruggen, om zich te scholen en om actief naar werk te zoeken.

Mensen worden dan gestimuleerd hun vaardigheden goed te onderhouden en bij onverhoopt ontslag direct gericht werk te zoeken. Elke maand dat men werkloos is en de uitkering aanvult met het geld uit de levensloopregeling wordt het eigen vermogen immers aangesproken. Maar de levensloopregeling zorgt er tegelijkertijd voor dat mensen niet van de ene op de andere dag een onbarmhartige inkomensval maken.

Maar de levensloopregeling is er nu nog niet en werknemers hebben daarom nog geen geld kunnen reserveren. Bovendien zijn de talenten van veel oudere werknemers onvoldoende onderhouden. Daarom is een goed overgangsregime nodig. Sociale partners moet worden toegestaan middelen te storten in de levensloopregeling in de onverhoopte situatie dan men werkloos wordt en zonder dat er gekort wordt op de WW.

Zo komt er meer geld beschikbaar dan het kale, wettelijke WW-recht. Dat zou een aantal jaren toegestaan moeten worden, zodat een aanzienlijk levensloopsaldo kan worden opgebouwd. Sociale plannen en handdrukken maken het dan nog steeds mogelijk om de periode van werkloosheid financieel te overbruggen en om zich tijdens die periode bij te scholen. Over zeven jaar zou dan de stapeling van uitkeringen pas volop moeten worden aangepakt.

Vervolgens zou geregeld moeten worden dat die werkgevers die het menselijke kapitaal van hun personeel niet goed hebben onderhouden, voortaan verplicht worden bij ontslag een bedrag aan de levensloopregeling toe te kennen. Mensen die zelf al eerder het nodige opzij hebben gelegd – en aan het maximum van 150 procent zitten – zouden in dit geval ook gebruik moeten kunnen maken van een dergelijke vergoeding en dus meer moeten kunnen opbouwen dan de wettelijke 150 procent van het jaarinkomen.

Dit zogeheten poortwachtersmodel in de WW zorgt ervoor dat een werkgever die geen geld heeft geïnvesteerd in de scholing en training van personeel daarvan de consequenties ondervindt. Wie niet investeert in het menselijke kapitaal van werknemers moet op die manier investeren in het financiële kapitaal van zijn werknemers.

Deze aanvullingen op de kabinetsvoornemens sluiten aan bij de wens de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers te vergroten. De prikkel om werk te zoeken, wordt groter. Wie eerder aan de slag gaat, houdt meer eigen geld over in de levensloopregeling.

Bovendien worden werkgevers gestimuleerd te investeren in hun personeel. Anders lopen zij het risico later vergoedingen te moeten betalen. Sociale ongelukken worden voorkomen. De inkomensterugval bij werkloosheid wordt opgevangen via de levenslooprekening. Zo biedt de levensloopverzekering de mogelijkheid om de herziening van de verzorgingsstaat sociaal in te bedden. Mede daarvoor is de levensloopregeling ontworpen.

Lans Bovenberg is hoogleraar economie aan de Universiteit van Tilburg; Ab Klink is directeur van het Wetenschappelijk Bureau van het CDA.