Ruzie over relatie Belgrado en VN-hof

De drie Montenegrijnse leden van de Servisch-Montenegrijnse Nationale Raad voor Samenwerking met het Joegoslavië-tribunaal zijn gisteren afgetreden. Daarmee protesteren ze tegen het gebrek aan samenwerking met het Haagse VN-hof.

De raad, die drie Servische en drie Montenegrijnse leden telt, plus nog eens drie ministers van de unie, regelt de relaties tussen het Joegoslavië-tribunaal en de regering in Belgrado. De drie Montenegrijnen voeren aan dat ze bij de laatste zitting van de raad op 2 september – in bedekte termen – een ultimatum hebben gesteld. Als niet binnen twee weken vooruitgang zou zijn geboekt inzake de uitlevering van verdachten aan het Joegoslavië-tribunaal zouden ze opstappen. Die vooruitgang hebben ze niet geconstateerd. De enige vooruitgang die volgens de Servische media is gemaakt is het besluit een besluit te nemen: op 30 september moet de raad 29 Serviërs en Montenegrijnen ontheffen van de plicht, militaire en staatsgeheimen geheim te houden, opdat ze als getuigen in rechtszaken voor het Joegoslavië-tribunaal kunnen optreden. Volgens de Servische media voldoet de unie Servië en Montenegro met dat besluit aan haar verplichtingen jegens het Joegoslavië-tribunaal waar het getuigen betreft.

Zeker zo belangrijk in de betrekkingen tussen het Joegoslavië-tribunaal is echter de Servische onwil bij de uitlevering van vier generaals die door het tribunaal wordt geëist. De vier, twee generaals van het leger twee generaals van de politie, worden beschuldigd van oorlogsmisdaden in Kosovo.