Privé-speurwerk beter controleren

Rechters moeten de resultaten van het onderzoek van particuliere speurders veel actiever controleren en toetsen. Gebeurt dat niet, dan dreigt de rechtshandhaving in een `gevarenzone' terecht te komen.

Dit staat in een onderzoek, verricht in opdracht van de Raad voor de Rechtspraak, naar de grensvervaging tussen publieke en private politiezorg. Het is uitgevoerd door mr. J. Nuis, voormalig advocaat-generaal en tegenwoordig raadsheer in het Amsterdamse Gerechtshof.

Rechters hebben onvoldoende oog voor de vervagende grens tussen publieke en private opsporingsdiensten, aldus Nuis. Uit zijn onderzoek blijkt dat rechters in hun oordeel steeds vaker bewijsmateriaal meewegen dat is verzameld door particuliere bedrijven, zonder deze informatie kritisch te toetsen. Ook het openbaar ministerie vervolgt geregeld zaken op basis van gegevens waarbij niet is gecontroleerd met welke bevoegdheid deze zijn vergaard.

Nuis stuitte in zijn onderzoek onder meer op een telefoontap die werd verleend op basis van particulier onderzoek, een gesprek met een informant door een privé-rechercheur en een verdachte die door een detectivebureau werd geobserveerd omdat de politie geen auto beschikbaar had.

Ook in onderzoek door forensische accountants komt het veel voor dat naspeuringen en verhoren worden verricht voordat de politie er aan te pas komt. Deze gegevens komen dan zonder nadere toets in strafrechtelijke dossiers terecht.

Ook over de gebruikte onderzoeksmethodes of de eigen gedragsregels van privé-speurders worden vaak geen nadere vragen gesteld. Nuis: ,,Ik noem dat het `zoete koek-effect'. Het openbaar ministerie, maar ook de rechters, gaat er veel te makkelijk van uit dat het klopt en zuiver is.''

Nuis pleit voor een veel striktere toetsing door de rechterlijke macht: ,,Iemand moet de wet- en regelgeving in het strafproces handhaven, de grondrechten van burgers bewaken en desnoods sancties uitvaardigen als het mis is gegaan. We gaan knabbelen aan de rechtshandhaving als zelfs de rechterlijke macht zich daar steeds minder bewust van blijkt te zijn.''

Volgens Nuis heeft de rechter tot op heden onvoldoende oog gehad voor het onderscheid tussen aan de ene kant de publieke opsporingsdiensten die gebonden zijn aan de geldende strafvorderlijke normering en aan de andere kant de professionele `vrije jongens'. ,,Die vallen niet onder regelgeving en kennen hooguit eigen regels die niemand handhaaft.''

Het onderzoek is inmiddels aangeboden aan de Raad voor de Rechtspraak. Nuis hoopt nu meer tijd te krijgen om de problematiek uit te werken: ,,Wat ik heb gedaan, is een inventarisatie maken. Maar we moeten een stap verder gaan, vooral als het gaat om de ontwikkeling van betere toetsingsinstrumenten en het toezicht.''

Nuis hoopt ook dat hij verder rechtsvergelijkend onderzoek kan doen in andere landen.

VRAAGGESPREK pagina 3

    • Joost Oranje