`Privé-bewijs geslikt voor zoete koek'

Het lijkt zo mooi: particuliere speurders die bewijs voor een strafzaak aandragen. Maar wie toetst eigenlijk of dat bewijs wel deugt? Rechters zijn vaak te weinig alert.

Het is zomaar een voorbeeld. Een klant slaat alarm bij zijn bank. Er is 9 miljoen gulden van zijn rekening overgeboekt, terwijl hij daar geen opdracht toe heeft gegeven. De bank stelt een onderzoek in, dat verricht wordt door de interne veiligheidsdienst. Er blijkt gerommeld te zijn met valse handtekeningen, overboekingen naar belastingparadijzen en schimmige tussenpersonen. De zaak wordt opgelost en een bankmedewerker wordt door het openbaar ministerie (OM) vervolgd. De rechter krijgt een uitgebreid dossier, waar politie en OM maar weinig werk aan hebben gehad. Het is panklaar door de veiligheidsdienst van de bank overhandigd, compleet met verhoren van de verdachte, conclusies over de vervalste handtekeningen en een lijst met telefoongesprekken die de verdachte gevoerd had.

Het klinkt mooi. Maar wie toetste eigenlijk of de privacy van de medewerkers niet was geschonden toen de telefoongegevens werden ingebracht? Was er iemand die met nader onderzoek controleerde of de conclusie over de valse handtekeningen eigenlijk wel klopte? En wie keek of de speurders van de bank het particuliere opsporingstraject goed hadden bepaald?

Het antwoord op deze vragen zou eigenlijk niet zo moeilijk moeten zijn: de politie en het OM zouden het werk van particuliere rechercheurs standaard onder de loep moeten nemen. En als die instanties het niet doen, zou de rechter er uiteindelijk een kritische blik op moeten werpen.

Maar de realiteit is anders, stelt Leo Nuis, oud-advocaat-generaal bij het Haagse Gerechtshof en tegenwoordig raadsheer in het Amsterdamse Hof. Nuis bestudeerde, in opdracht van de Raad voor de rechtspraak, de manier waarop resultaten van particulier recherche-onderzoek wordt gebruikt in strafzaken (gepubliceerd in Particulier speurwerk verplicht, in de serie `Forensische studies'). Hij schrok van de uitkomsten: ,,Dat de particulier onderzoeker oprukt, verbaast me niet. Het is al heel gewoon dat oud-opsporingsambtenaren overstappen naar het bedrijfsleven en daar onderzoeksresultaten presenteren die erg lijken op ambtsedige processen-verbaal. Daar is ook niet zo veel mis mee. Maar het is wel uiterst verontrustend dat je steeds vaker tegenkomt dat de instanties die het werk van deze onderzoekers moeten controleren dat eenvoudigweg nalaten.''

In zijn onderzoek, waarin Nuis een aantal dossiers bestudeerde, kwam hij curieuze zaken tegen. Een verdachte die door een detectivebureau werd geobserveerd omdat de politie geen auto beschikbaar had. Een telefoontap die werd verleend op basis van particulier onderzoek. Een gesprek met een informant door een privé-rechercheur. Nuis: ,,Dan denk ik: jongens, jongens, realiseren we ons wel waar we mee bezig zijn? Hoe kan het OM zo'n zaak vervolgen zonder dat men eerst zelf heeft gecontroleerd of alles wel goed verlopen is? Of er misschien nog wel een andere verdachte was? Of dat het bedrijf dat de gegevens aanlevert niet een eigen belang heeft? Toch komt het echt voor dat er zonder verder eigen onderzoek, op basis van particulier recherchewerk, zó een dagvaarding uitgaat.'' Het werkt ook andersom, zo blijkt uit Nuis' onderzoek: ,,Ook advocaten nemen hun toevlucht tot het aanleveren van ontlastend bewijs dat is vergaard door particuliere recherchebureaus. Politie en OM hebben kennelijk geen tijd of capaciteit meer om dat zelf te doen en dan gaat het dus maar op deze manier. Het is een tendens die niet te keren is.''

Het onderzoek laat zien dat het geen automatisme is dat de rechter de cruciale vraag stelt: wie deed er onderzoek en was diegene wel bevoegd? Nuis vond in de jurisprudentie zelfs een Hoge Raad-arrest dat gegevens van een interne controledienst toeliet omdat het bedrijf `overeenkomstig de eigen regels heeft gewerkt'. Nuis: ,,Maar welke regels? En hoe is er dan gewerkt? Dat zijn kritische vragen die niet alle rechters stellen. Men is zich niet altijd bewust van het gemak waarmee inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en weegt dit soort gegevens gewoon mee in het bewijs.''

Het beoordelen van wat Nuis ,,vervlochten opsporingsresultaten'' noemt, vereist een scherpe rechter: ,,Maar tot op heden heeft die rechter onvoldoende oog gehad voor het onderscheid tussen aan de ene kant de opsporingsdiensten (politie en justitie) die gebonden zijn aan de geldende strafvorderlijke normering en aan de andere kant de professionele `vrije jongens'. Die vallen niet onder regelgeving en kennen hooguit eigen regels die niemand handhaaft. Daarom is het des te belangrijker dat onderzoeksresultaten van die laatste groep scherp worden bekeken. Als dat niet gebeurt, dreigt de rechter zijn taak te verzaken. Iemand moet de wet- en regelgeving in het strafproces handhaven, de grondrechten van burgers bewaken en desnoods sancties uitvaardigen als het mis is gegaan. We gaan knabbelen aan de rechtshandhaving als zelfs de rechterlijke macht zich daarvan minder bewust is.''

Al in zijn vorig leven als officier van justitie en advocaat-generaal, stuitte Nuis geregeld op gegevens van particuliere speurders die voor waar werden aangenomen: ,,Het heeft me altijd gefascineerd. Dit soort dingen zitten soms onopgemerkt in een strafdossier, op het eerste gezicht blijkt het nergens uit. Je moet de stukken echt kennen om ze eruit te filteren. Daarom denk ik dat met name de zittende magistratuur zich beter bewust moet zijn van wat er aan de hand is. Er moeten vaker alarmbellen gaan rinkelen.''

Met name in fraudezaken rukt de particuliere onderzoeker op. Grote accountantskantoren hebben eigen, afgescheiden afdelingen voor forensisch onderzoek die vaak al veel werk hebben verricht voordat de publieke autoriteiten besluiten een strafrechtelijk onderzoek in te stellen. Documenten zijn verzameld, verdachten zijn vaak al uren verhoord door forensische accountants voordat er politie aan te pas komt.

In de rechtszaal wordt zo'n deskundige vervolgens vaak als getuige opgeroepen, zonder dat de rechter zich afvraagt of deze inderdaad wel zo deskundig is als hij zich voordoet. Ook over de onderzoeksmethodes die gebruikt zijn of de eigen gedragsregels worden vaak geen vragen gesteld. Nuis: ,,Ik noem dat het `zoetekoekeffect'. Het OM, maar ook rechters, gaat er te makkelijk van uit dat het klopt en zuiver is. Maar eigenlijk zou je dat allemaal moeten toetsen wil je de bestaande wet- en regelgeving adequaat kunnen handhaven en overtredingen zonodig sanctioneren. Het is waar: dat kost veel tijd. Maar dat is de keerzijde van deze trend. Alleen zo houden we de rechtshandhaving buiten de gevarenzone.''

    • Joost Oranje