Commissie: slapen is toch geen werken

Slaapdiensten gelden niet meer als werk, stelt de Commissie voor. Maar de lidstaten krijgen veel ruimte voor langere werkweken.

Het probleem van Nederland met de Europese regels voor arbeidstijden is gisteren opgelost. Er hoeven toch geen tienduizenden extra artsen, gehandicaptenverzorgers en brandweermannen te worden aangenomen. Dat leek er wel op toen het Europese Hof vorig jaar in de zaak van de Duitse arts Jäger bepaalde dat de uren die bijvoorbeeld artsen en brandweerlieden tijdens oproepdiensten slapend doorbrengen, helemaal als werk tellen. Daardoor zitten werknemers sneller aan het maximum aantal uren dat ze mogen werken volgens de Europese regels. Wat inhoudt dat er meer mensen nodig zijn voor hetzelfde werk. Alleen al in de zorgsector in Nederland zou de uitspraak van het Hof 400 miljoen euro per jaar kosten. In Duitsland zijn de jaarlijkse kosten geraamd op 1,75 miljard euro.

Minister De Geus van Sociale Zaken pleitte het afgelopen jaar, net als zijn Duitse en Spaanse collega's, voor aanpassing van de Europese wet zodat hun nationale regelingen niet zouden hoeven worden aangepast. De Europese Commissie is deze landen tegemoet gekomen door bij het aanpassen van de richtlijn over arbeidstijden te bepalen dat deze `slaapdiensten' niet tellen als `werk' voor het vaststellen van het maximaal aantal uren dat werknemers mogen werken. Deze slaapdiensten vallen voortaan onder een nieuwe categorie die de Commissie heeft geïntroduceerd: `wacht- of slaapuren tijdens aanwezigheidsdiensten'.

Het staat lidstaten vrij om in afwijking van deze bepaling de slaapdiensten toch als werk aan te merken, maar dat zal Nederland niet doen. ,,Dit voorstel lost het probleem van Nederland helemaal op'', zegt een woordvoerder van De Geus. ,,De bestaande regelingen op het gebied van arbeidstijden kunnen gehandhaafd blijven.''

Maar de Commissie doet nog meer voorstellen voor de wijziging van de richtlijn, en die kunnen grote gevolgen hebben voor de concurrentieverhoudingen tussen de Europese landen. Kort gezegd worden de regels versoepeld voor werkgevers, maar mogen de lidstaten zelf kiezen of ze die versoepeling doorvoeren. Critici vinden dat daarmee het doel van de richtlijn uit 1993 wordt ondergraven. Dat was de bescherming van de veiligheid en gezondheid van werknemers. De richtlijn stelt daarvoor maximumwerktijden (48 uur per week) en verplichte rustperioden vast. Nederland was een groot voorstander van de richtlijn, die voortvloeit uit het Sociale Handvest dat de lidstaten in 1989 aannamen ter ,,verbetering van de levensstandaard en arbeidsvoorwaarden voor de werkenden in de Europese gemeenschap.''

De eerste versoepeling is dat de gemiddelde werktijd per week voortaan wordt berekend over een periode van een jaar in plaats van vier maanden. Dat betekent dat het mogelijk wordt werknemers in bepaalde maanden heel veel te laten werken, en in andere maanden minder.

Ten tweede blijft het mogelijk voor lidstaten om onder de maximum werkweek van 48 uur uit te komen en mogen ze zelfs een werkweek van maximaal 65 uur toestaan. Nu maken Groot-Brittanië, Cyprus en Malta al gebruik van deze uitzondering. Vooral de nieuwe lidstaten hebben aangedrongen op het handhaven van de mogelijkheid om werknemers langer te laten werken. Zij willen daarmee aantrekkelijke nieuwe vestigingslanden blijven voor bedrijven uit de `oude' lidstaten met hun striktere bepalingen.

De werknemer moet overigens altijd individueel instemmen met het overschrijden van de maximumwerktijd, de zogenoemde `opt out'. Die vraag wordt nu in de praktijk meestal aan de werknemer gesteld bij het tekenen van een arbeidscontract, maar dat mag voortaan niet meer om de werknemer meer keuzevrijheid te geven. Ook mag de werknemer altijd terugkomen op zijn keuze.

Nederland is overigens niet van plan een langere werkweek toe te staan, laat een woordvoerder van De Geus weten. ,,Dat was alleen nodig geweest, als het probleem met de slaapdiensten niet was opgelost.''

    • Elsje Jorritsma