Alsof ieder lied zijn laatste kon zijn

De kleine grote man die met hart en ziel en galmende uithalen over liefde en leed zong, is vandaag overleden. André Hazes heeft niet langer dan 53 jaar geleefd, maar hij heeft er uitgehaald wat erin zat. Hij leefde zoals hij zong: met totale overgave, alsof ieder lied zijn laatste kon zijn. Een zware longontsteking is hem fataal geworden; door de suikerziekte waaraan hij al een paar jaar leed, had hij geen afweer meer. Hij was weerloos geworden, net zo weerloos als in sommige scènes in de documentaire André Hazes, zij gelooft in mij, die zijn carrière in 2000 in een nieuwe stroomversnelling bracht.

Ooit was André Hazes een schriel knaapje in een kinderrijk gezin in de Pijp in Amsterdam, waar het naar zijn zeggen ,,altijd hommeles'' was. Liever dan thuis, waar veel werd geruzied, verbleef hij op straat. Op zijn achtste werd hij door Johnny Kraaykamp ontdekt toen hij met een hoog jongensstemmetje stond te zingen op de Albert Cuypmarkt – en prompt liet Kraaykamp hem optreden in de Weekendshow die hij destijds, in 1959, presenteerde. Daarna volgden zijn jaren als aankomend matroos, schoorsteenveger, bloemenbezorger, bouwvakker, sloper, slagersknecht, marktkoopman en barkeeper.

In de kroeg, met de biertap onder handbereik, vond Hazes tenslotte zijn natuurlijke habitat. Daar hoorde hij op zijn 25ste het verhaal van een man die de kerstdagen in een cel moest doorbrengen, dat hem tot zijn eerste liedtekst inspireerde. Zijn neef maakte er muziek bij, Hazes zong, en samen deponeerden ze het bandje in de brievenbus van Willy Alberti, in wie ze de ideale zanger zagen. Alberti had echter een beter idee: Hazes moest het zelf op de plaat zette. Zo werd Eenzame kerst in 1977 zijn eerste hit.

De platenmaatschappij meende een nieuwe Alberti te hebben ontdekt en zocht repertoire in de Jordaanse belcanto-sfeer. Maar zelf voelde Hazes weinig voor dat genre. ,,Voor mij geen accordeonnetje en zo'', zei hij in het vakblad Muziek & Beeld. ,,Dat zeikerige is echt niks voor mij. Sorry voor die componisten, maar zo voelde ik dat wel. Kijk, ik wil klappen, kletsen. Hard! Scheurende gitaren! Kadang!'' Pas in 1980 kwam hij bij een andere platenmaatschappij in contact met een producer, de inmiddels overleden Tim Griek, die begreep wat hij wilde: levenspop.

Met het nummer 'n Vriend werd de nieuwe Hazes gelanceerd. Het immens populaire Een beetje verliefd deed de rest: ,,In een discotheek, zat ik van de week/ en ik voelde mij daar zo alleen...'' In de eenvoudigste bewoordingen, geregeld ontleend aan een Prisma Rijmwoordenboek, wist Hazes precies op te schrijven wat zijn publiek herkende, op melodietjes die vaak van Italiaanse makelij waren. En vervolgens zorgde Griek voor de ruige rockgitaren waarvan die nummers hun spierballen kregen.

Hazes werd de held van het nieuwe genre `levenspop'. Hij werd door anderen nagevolgd, maar bij niemand klonk het zo oprecht als bij hem. Hij combineerde de Nederlandse traditie van inhaken en meedeinen met de Amerikaanse blues van zijn eerste idool Muddy Waters – en hij wist waarover hij zong. Al spoedig begonnen de babbelbladen hem op de voet te volgen, want er viel telkens veel te melden: mislukte huwelijken, overdadig bierverbruik, een grote bek als hem iets niet beviel – te veel om op te noemen. Steeds stortte Hazes in het openbaar zijn hart uit, en altijd beloofde hij beterschap. Het was alsof zijn liedjes een gezongen autobiografie waren, maar dat sprak hij tegen: nooit van zijn leven zou hij alles kunnen beleven waarover hij zong. Maar wel kwam het allemaal voort uit hetzelfde gemoed. Hij kende de emoties. Niet voor niets kreeg een van zijn laatste cd's de titel Met heel mijn hart.

Toch begon Hazes' ster in de loop van de jaren negentig enigszins te verbleken. De nu in het ongenaakbare zwart van een heuse Blues Brother gehulde volkszanger maakte niet meer de ene hit na de andere. Een aangekondigd concert in de Amsterdamse Arena moest in 1999 zelfs worden geannuleerd, omdat men vreesde niet uitverkocht te raken. En toen kwam de grote wending. Eerst een reclamespotje voor Unox, waarin Hazes met een schilderachtige vriendenkring knakworstjes zat te eten, en daarna de documentaire André Hazes, zij gelooft in mij van John Appel, die een heel nieuw publiek aanboorde. Opeens zagen ook degenen voor wie Hazes nooit meer dan een ietwat luidruchtig caféfenomeen was geweest, zijn ongepolijste, ruige talent – en de kwetsbare man achter zijn lefgozerspose. Het aandoenlijke Zij gelooft in mij (,,zij ziet toekomst in ons allebei'') groeide uit tot zijn nieuwe lijflied. De wetenschap dat hij het zong voor zijn Rachel (,,Rasjèl''), droeg daar ongetwijfeld danig aan bij: zij was de laatste twintig jaar zijn vrouw, ondanks diverse crises die het paar tijdelijk scheidden.

Meer dan vier nummers kon Hazes de laatste jaren niet meer achter elkaar zingen, daarvoor ontbrak hem de adem. Maar hij bleef ,,imposant in de uithalen van het refrein,'' schreef Hester Carvalho twee jaar geleden in deze krant, na een glorieus concert in het Olympisch Stadion in Amsterdam. ,,De trillingen, de snik, de emoties van een zwaar leven – Hazes heeft ze paraat.''

Soms leek zijn stem aan flarden gezongen, kapotgeleefd, maar nog steeds klonk er alles in door wat hem beroerde: de eenzaamheid, het dronkemansverdriet, het verlangen naar beschutting en tederheid, de vreugde en de sentimenten van het levenslied. Daarin was André Hazes uniek, vaak nagevolgd maar nooit geëvenaard.

    • Henk van Gelder