Zo'n dag

Tegen half drie, toen de stoet met de gouden koets en alle defilerende militairen, oorlogsveteranen en Spakenburgers in klederdracht gepasseerd waren, mochten we via de Korte Vijverberg terugkeren naar het Plein bij het Binnenhof.

Doekle Terpstra kwam ons, blakend van publiciteitsdrift, tegemoet, enkele journalisten in zijn kielzog. Hij genoot van zijn leven en hij zou daar nog lang mee doorgaan zolang de journalisten aandacht voor hem hadden. Nu 2 oktober nog – en de weg naar een staatssecretariaat lag open.

Iets eerder was ook Ed Nijpels al voorbijgekomen. Zonder overjas trotseerde de oud-minister de onaangename windvlagen, zodat we het volle zicht kregen op zijn opzienbarende krijtstreep boven de glanzend zwartgelakte schoenen. Hij drentelde door naar het Lange Voorhout, waar hij op de hoek in zijn mobieltje begon te praten.

Wat opviel was dat niemand op hem lette. Men herkende hem niet, of men deed alsof men hem niet herkende. O, sterfelijkheid van de roem. Zou Doekle beseffen dat dit zijn voorland is?

Ik was inmiddels bij de parkeergarage op het Plein beland. Mijn oog viel op een groep van enkele tientallen mannen bij de ingang van de garage. Zij waren op een plukje bij elkaar gedreven, huiverend in hun colberts. In hun midden stond een forse man die steeds in een portofoon praatte. Af en toe riep hij iets naar de mannen.

,,Filipine!''

Dat was het eerste dat ik min of meer verstond. Een donkere man voelde zich aangesproken en zette het op een holletje naar de garage.

Een minuut of vijf later schreeuwde de man met de portofoon: ,,Noorwegen!'' Een blonde man zette zich in beweging.

Zo ging het maar door.

,,Armenië!''

,,Slovenië!''

,,Indonesië!''

De hele wereld werd afgewerkt. Een aanschouwelijker aardrijkskundeles heb ik nooit gehad. De mannen doken de garage in en kwamen terug in een glanzende personenauto met het vlaggetje van het bijbehorende land op de kap. Verderop sloten zij zich, richting Binnenhof, bij een stoet auto's aan. Zij gingen hun ambassadeur ophalen, die ergens in een comfortabel lokaal met de collega's zijn tijd stond te beiden.

Je hebt mensen die rijden en je hebt mensen die gereden worden – dit was zo'n dag waarop niemand daar doekjes om windt.

Terzijde zag ik opeens een bekende gedaante opdoemen. Hilbrand Nawijn! Ook al een oud-minister, en wát voor een. Hij droeg een oranje das bij een donker kostuum, en hij zag er ook verder uit als een glimmend feestvarkentje, waarmee ik niets vervelends bedoel. Zijn vrouw liep naast hem met een pracht van een taart op haar hoofd, een beige taart met een lint en blaadjes die op de wind meedeinden. Ze wilden naar huis, maar een oudere vrouw hield hen staande.

,,Een mooie hoed'', zei ze.

Nawijn keek haar blij verrast aan en kraste: ,,Jaja! Allemaal hoeden!''

Beter had deze dag niet samengevat kunnen worden.