Volledigheid, kwaliteit of `production value'

Het Nederlands Film Festival schippert altijd tussen volledigheid en kwaliteit. In Utrecht draaien dit jaar 21 speelfilms, maar ze mogen niet allemaal meedingen naar een Gouden Kalf.

Vanavond begint het Nederlands Film Festival in Utrecht met de vertoning van Simon van Eddy Terstall. Nog drie speelfilms gaan er in première op de 24ste editie van het festival: Ellis in Glamourland van Pieter Kramer, The Tulse Luper Suitcases Part 2 van Peter Greenaway en Verborgen gebreken van Paula van der Oest. Met die films lijkt het scala aan Nederlandse producties mooi bestreken: van grote publieksfilms (Ellis in Glamourland) tot Engelstalige avant-garde (Tulse Luper), van een verfilmde roman (Verbogen gebreken, de eerste verfilming van een boek van Renate Dorrestein), vroeger de mainstay van de Nederlandse film, tot een eigenzinnig scenario (Simon). Dat is ook het eerste doel van het Nederlands Film Festival: alles laten zien wat er in Nederland op het gebied van film gemaakt wordt. Daarmee is het festival nogal anders van opzet dan de meeste filmfestivals, die vooral het beste of het nieuwste willen tonen en ook nog eens uit meerdere landen. In Utrecht kun je rustig Kees de Jongen gaan bekijken, die al vorig jaar november in première ging, of Poetins mama, een documentaire die in april al op televisie is geweest. Het festival kent ook nauwelijks beperking in genres: televisiedrama, documentaires, korte films, studentenfilms, het is allemaal te zien in Utrecht. Voor het eerst doet ook het Centraal Museum aan het festival mee met Re:visie: As the World Turns, een tentoonstelling met audiovisueel werk van beeldend kunstenaars.

Dat veelomvattende is zowel de kracht als de zwakte van het festival, dat in deze vorm in bijna geen enkel ander land bestaat. Volgens Doreen Boonekamp, voor de derde keer directeur, hebben alleen Turkije en Griekenland ook zulke nationale festivals. ,,Wij verkeren in de luxe positie dat we tien dagen per jaar de nationale filmcultuur in de schijnwerpers kunnen zetten.''

Een ander opvallend aspect van het Nederlands Film festival is de hoeveelheid debatten, symposia, workshops en talkshows die er georganiseerd worden. Je zou tien dagen in Utrecht kunnen zijn zonder ooit een film te zien. Dit jaar wordt er zelfs een voetbaltoernooi gehouden. Het belangrijkste symposium op het festival is `West Meets East', een programma over Europese coproducties met de nieuwe lidstaten, wellicht meer nodig dan ooit nu er echt een einde komt aan het filmstimuleringsbeleid middels fiscaal voordeel, een onderwerp dat ongetwijfeld in Utrecht het gesprek van de dag zal vormen. Regisseurs die dit jaar extra aandacht krijgen zijn naast gast van het jaar Jean van de Velde, Paul Verhoeven, de onlangs overleden Wim Verstappen, Lili Rademakers, Adriaan Ditvoorst en Nico Crama, die vooral geëerd wordt als producent van animatiefilms.

Om in het gedrang enige ordening aan te brengen, zijn veel films in een of meerdere hokjes ondergebracht. Er is een dag van de speelfilm, een dag van de korte film, een dag van het televisiedrama, een dag van de Surinaamse film. De vrees dreigt dat voor deze dagen niet alleen is gekozen om structuur in het programma aan te brengen, maar ook om de kwaliteit van de afzonderlijke films minder belangrijk te maken, ook al heeft het festival al een voorselectie gemaakt. Volgens Doreen Boonekamp is de indruk dat het festival alle Nederlandse films vertoont, onterecht. ,,Van de 350 titels die voor het hoofdprogramma zijn ingezonden, hebben wij er 175 geselecteerd.'' Van die 175 mogen weer niet alle titels aan de competitie meedoen. Vooral bij de speelfilms bevreemdt dat. Van de 21 speelfilms die er op het festival te zien zijn, dingen er drie niet mee naar een Gouden Kalf: Beat, het lowbudget debuut van filmacademiestudent van David Verbeek, Fighting Fish, de eerste Nederlandse martial arts-film en Zulaika, een Surinaamse jeugdfilm. Zou de jury, die dit jaar onder meer bestaat uit regisseur Hans Hylkema, producente Hanneke Niens (IDTV) en critica Antoinette Polak die drie films er echt niet meer bij kunnen hebben? Op een festival dat de Nederlandse film in het hart wil sluiten, is het een nogal zuinig gebaar. Bovendien is moeilijk vol te houden dat Beat een slechtere film is dan bijvoorbeeld Pipo en de p-p-parelridder, die wel mag meedoen. Volgens Boonekamp heeft de selectie niet zozeer met de kwaliteit als wel met de production value van films te maken. ,,Pipo en de p-p-parelridder moet mee kunnen dingen naar de Gouden Kalveren voor vakprijzen.''

    • Bianca Stigter