Minder testosteron en hooghartigheid

Europeanen moeten niet denken dat afgeven op Amerika hetzelfde is als het voeren van een eigen buitenlands- en veiligheidsbeleid, meent Chris Patten.

Laat ik het maar ronduit zeggen: al zijn er in het verleden nóg zulke harde woorden gevallen, wij blijven werken aan een betere toekomst in Irak. Maar daarbij wil ik wel een paar algemene opmerkingen maken.

Toen ruim twee jaar geleden enkelen van ons de vrees uitspraken dat de VS het soort multilateralisme zouden verlaten dat sinds de Tweede Wereldoorlog kenmerkend was geweest voor hun buitenlandse en veiligheidsbeleid, werden wij scherp berispt. Amerika, zo werd ons verzekerd, wenste nog steeds met bondgenoten samen te werken, mits zij het eens waren met de visie van Washington op de aanpak van een gevaarlijke wereld, en mits zij over het geheel genomen hun bedenkingen voor zich hielden.

Inderdaad hebben enkele bondgenoten Amerika naar Bagdad vergezeld, op een expeditie die tot dusverre niet is gezegend met de gemakkelijk te plukken, heilzame vruchten die zo nadrukkelijk werden voorspeld en toegezegd. De bevrijding veranderde spoedig in een bezetting, die op moordend verzet stuitte. De democratie ontrolde zich niet als een oosters tapijt over de ondankbare woestijnen van het Midden-Oosten. En bovenal bracht de zege in Bagdad geen vrede in Jeruzalem en Palestina.

Daarom hebben wij onlangs – deels omdat het Amerikaanse neoconservatieve unilateralisme er duidelijk niet in was geslaagd een rijk van vrede, vrijheid en democratie te vestigen – te horen gekregen dat bondgenoten en multilateralisme weer in de mode zijn in Washington. Zelfs de Verenigde Naties zouden nog ergens goed voor zijn. Leve het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Kunnen wij er nu op rekenen dat het ouderwetse idee dat je bondgenoten moet leiden, niet commanderen, weer in ere wordt hersteld, en dat multilaterale instanties van groot nut zijn, zelfs voor de enige supermogendheid van de wereld – dat er, met alle respect voor Machiavelli, veel voor te zeggen valt om te worden bewonderd en niet alleen maar gevreesd?

De retoriek van de lopende Amerikaanse verkiezingscampagne werpt onvermijdelijk een paar vragen op. Ik probeer geen partij te kiezen.

Amerika kiest zijn president en zijn Congres. De rest van de wereld kijkt toe. Wij Europeanen zullen zo goed als we kunnen moeten samenwerken met de winnaar. Ongeacht onze persoonlijke opvattingen kiezen wij in dit proces geen partij. Ik ben bovendien niet zo naïef dat ik de grote woorden van een campagne aanzie voor een dialoog van Plato. Ik ben tenslotte zelf partijvoorzitter geweest. Maar de campagneretoriek is wel ergens een afspiegeling van, en dat `ergens' is in dit geval tamelijk verontrustend.

Om bepaalde groepen in Amerika tot een goedkoop hoeraatje te verlokken, hoef je kennelijk alleen maar op de VN in te hakken, of op de Fransen, of op het idee dat bondgenoten überhaupt recht op een eigen mening zouden hebben. De multilateralisten, zo horen wij, willen het Amerikaanse buitenlandse en veiligheidsbeleid uitbesteden aan een zooi knoflook-en-kaasvretende watjes.

De opvattingen van de mensheid, waarvan de Verenigde Staten volgens hun grondleggers met respect kennis dienden te nemen, verdienen minachting, tenzij ze, naar ik veronderstel, een getrouwe afspiegeling vormen van de agenda van het American Enterprise Institute en Fox-tv. Wat moeten wij van dit alles denken? In de eerste plaats dient het multilateralisme volkomen de belangen van de Verenigde Staten – dat zouden vroegere regeringen niet hebben betwijfeld, en de meeste politieke leiders van de afgelopen zestig jaar zouden het hebben onderschreven.

In de tweede plaats vereist het nationale belang van de supermogendheid ongetwijfeld dat zij haar traditionele bondgenoten dwingt zich uit te spreken, en dat zij niet hun recht op overleg aanvecht, maar goed onderzoekt wat zij te zeggen hebben en hoe zij hun beweringen over samenwerking denken om te zetten in effectief, niet steriel multilateralisme. Hoe denken wij – om maar één evidente kwestie te noemen – niet alleen de moerassen droog te leggen waarin het terrorisme ontstaat, maar ook een stuk wat krokodillen dood te schieten? En hoe en wanneer zullen wij toelaten dat geweld wordt ingezet ter ondersteuning van de internationale rechtsorde? Dat is een vraag die wij in Europa geregeld uit de weg gaan.

Als de politieke cultuur van de uniciteit van Amerika uitsluit dat met buitenlanders wordt gesproken of samengewerkt, als impopulariteit in het buitenland wordt opgevat als een onderscheiding, een bron van trots, dan zullen te veel Europeanen de spiegelbeeldige vergissing begaan om te denken dat afgeven op Amerika hetzelfde is als het voeren van een Europees buitenlands- en veiligheidsbeleid.

Waar ik mij nog het meest zorgen over maak, is dat wij aan weerszijden van de Atlantische Oceaan bij onze traditionele partners het slechtste naar boven zullen halen. De wereld verdient beter dan testosteron aan de ene kant en hooghartigheid aan de andere. Ook de burgers van Amerika en Europa verdienen beter. Zij staan tenslotte voor dezelfde gevaren en dezelfde opgaven. Ik wil een Europa dat een superpartner is, geen supervitter – een superpartner van een gerespecteerde wereldleider. Alle alternatieven bieden alleen maar het vooruitzicht van een toekomst met meer gevaren en meer gejammer.

Chris Patten is scheidend Eurocommissaris voor Buitenlands Beleid. Dit is een ingekorte versie van zijn toespraak op 15 september in het Europees Parlement.