Gijzeldrama verenigt en splijt

De Franse moslimraad, in het leven geroepen om de verschillende islamitische groepen in één organisatie bijeen te brengen, dreigt twee jaar na oprichting al weer uit elkaar te vallen.

Dominique de Villepin, de Franse minister van Binnenlandse Zaken, ontving deze week vertegenwoordigers van alle moslimorganisaties. Dat wil zeggen, min of meer in het geheim en de één na de ander. De minister is – weer – gedwongen te bemiddelen, de moslims worden – weer – verscheurd door broedertwisten.

En dat terwijl de nog steeds onopgeloste ontvoering van twee Franse journalisten in Irak aanvankelijk juist tot een allerwegen toegejuichte verbroedering leidde in de Conseil Français du Culte Musulman, de landelijke moslimraad CFCM. Dezelfde zaak is nu splijtzwam geworden. De ontmoeting van één van de vice-voorzitters van de Raad met de leider van de Algerijnse extremistische moslimbeweging FIS – uitgerekend in het kader van een poging de gegijzelden vrij te krijgen – heeft zelfs zoveel kwaad bloed gezet, dat afsplitsing dreigt en in elk geval de nieuwe verkiezingen van de Raad, in april 2005, niet doorgaan.

De crisis is een symptoom van de nooit opgehouden machtsstrijd binnen de CFCM. Die werd in april 2003 onder zware druk van Nicolas Sarkozy, toenmalig minister van Binnenlandse Zaken en in die hoedanigheid verantwoordelijk voor de godsdiensten, tot stand gebracht. Opgenomen werden naast enkele kleinere organisaties drie hoofdstromingen: de liberale, aan Algerije gelieerde Grande Mosquée de Paris (GMP), de vaak als fundamentalistisch omschreven en aan Marokko gelieerde Fédération Nationale des Musulmans de France (FNMF) en de Union des Organisations Islamiques de France (UOIF), verwant aan de zeer fundamentalistische Egyptische Moslimbroeders.

Van de 41 zetels van de Moslimraad bezetten de FNMF en de UOIF er respectievelijk zestien en dertien. De gematigde GMP heeft er slechts zes, maar de rector van de Grote Moskee, Dalil Boubakeur, is wel voorzitter van de Raad. De voorzitters van de beide andere organisaties zijn vice-voorzitter.

Van meet af aan leek de Raad een doodgeboren kind: de minister verenigde het onverenigbare. Gedwongen door de onderlinge verdeeldheid wees hij zelfs eigenhandig de zetels toe nog voor er verkiezingen werden gehouden. De ambitieuze Sarkozy wilde tot iedere prijs slagen waar zijn voorgangers twintig jaar lang gefaald hadden. Maar die ambitie was niet louter persoonlijk: in de context van toenemende internationale moslimterreur was de behoefte aan één vertegenwoordigend orgaan van de islam, tweede godsdienst van het land, urgenter dan ooit tevoren.

Hoe onvermijdelijk ook gezien hun aanhang, de opname in de Raad van de FNMF en de UOIF kwam Sarkozy direct op het verwijt te staan met fundamentalisten rond de tafel te zijn gaan zitten. Met name met de UOIF had hij een paard van Troje binnengehaald. Voorzitter Boubakeur is inderdaad nooit opgehouden zijn beklag te doen over de voortwoekerende machtsstrijd. Ook pleitte hij voortdurend voor een ander, voor de gematigde moslims gunstiger systeem bij de verkiezingen in 2005. De Grote Moskee heeft door haar geïsoleerde positie in de hoofdstad maar ook door haar gematigde, seculiere standpunten van nature een minder militante aanhang. Intussen vertegenwoordigt zij, volgens Boubakeur, wel de grote zwijgende meerderheid van de ongeveer vijf miljoen moslims in Frankrijk.

De ontvoeringszaak van de twee journalisten in Irak, eind augustus bekendgemaakt door de Arabische zender Al-Jazira, veroorzaakte een spectaculaire verandering in de ongemakkelijke status quo. De affaire bleek een blessing in disguise. De ontvoerders eisten, vlak voor het nieuwe schooljaar, intrekking van de wet die het dragen van islamitische hoofddoeken op openbare scholen verbiedt. De eis had het tegenovergestelde effect. Onder de zorgvuldige regie van de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken Dominique de Villepin – alleen al gezaghebbend omdat hij zich in zijn vorige leven als minister van Buitenlandse Zaken hevig verzette tegen de oorlog in Irak – verklaarden de Franse moslimorganisaties zich unaniem solidair met de `Republikeinse waarden'. Zelfs de UOIF en de FNFM, tot dan toe fel tegen de hoofddoekjeswet, riepen de islamitische scholieres onder druk van de omstandigheden op tot `burgerzin' en gehoorzaamheid aan de wet. De getergde Boubakeur, voorstander van de wet, jubelde: ,,De valstrik van de ontvoerders – de moslims vervreemden van de Franse samenleving – heeft gefaald. De ziel van mijn gemeenschap is één.''

Dat duurde niet lang. De UOIF en de FNFM stuurden spontaan en nog tot ieders tevredenheid delegaties naar Irak om de zaak van de gegijzelde journalisten te bepleiten. Maar Mohamed Bechari, voorzitter van de FNFM, ontpopte zich vervolgens tot onbezoldigd ambassadeur van Frankrijk en deed na Irak ook Beiroet en Doha, in Qatar, aan. Na een optreden in een uitzending van Al-Jazira `om de Arabische politiek van Frankrijk uit te leggen', ontmoette hij in zijn hotel `bij toeval' Abassi Madani, leider van het FIS. Deze zou in hongerstaking zijn gegaan tegen de ontvoering. En `om dit initiatief aan te moedigen' kuste Bechari de terroristenleider op diens witte kalot.

Van die kus werd een foto gemaakt die op 15 september verscheen in Al-Qods Al-Arabi, een in Londen uitgegeven Arabischtalige krant. Sindsdien is de oude geest uit de fles. De Grande Mosquée de Paris, met een aanhang onder wie zich nabestaanden van slachtoffers van het FIS bevinden, weigert nog langer aan één tafel te zitten met iemand die Madani kust, `sinds twaalf jaar de gezworen vijand van het Algerijnse volk'. Aan de verkiezingen, die voor de Moskee waarschijnlijk toch verkeerd uitpakken, weigert Boubakeur nog mee te doen. De roep om een nieuwe raad, van `seculiere' moslims, weerklinkt. En over seculier gesproken: in een land waar de scheiding van kerk en staat bijna heilig is, doet dezelfde staat er opnieuw alles aan om de moslims weer te verenigen.

    • Pieter Kottman