`Geldgevers volgen rijk'

Rijkssubsidie werkt in de toneelwereld als `een katalysator' voor andere geldschieters.

De Nederlandse theatergezelschappen zijn niet alleen afhankelijk van de financiële geldstroom van het rijk, zoals neergelegd in de Cultuurnota. Ook gemeentelijke bronnen en particuliere fondsen kunnen voor een brede ondersteuning zorgen. In veel gevallen versterken deze fondsen elkaar. Volgens Joop Mulder van het Oerol Theaterfestival op Terschelling werkt rijkssubsidie `als een katalysator'. ,,Wanneer het rijk toezegt, dan zijn gemeentelijke instanties en het bedrijfsleven makkelijker te overtuigen van de noodzaak van extra steun,'' aldus Mulder. ,,Het bedrijfsleven gaat voor `winners'.''

Directeur Evert de Jager van het Nationale Toneel: ,,Inderdaad bestaat er bij de gemeente de tendens het rijk te volgen. Ons beleidsplan voor 2005-2008 is door de gemeente Den Haag goedgekeurd maar door de Raad voor Cultuur kritisch beoordeeld. De prioriteit van de gemeente ligt natuurlijk anders dan bij de overheid. Een stad als Den Haag heeft er belang bij dat in de Koninklijke Schouwburg een in artistiek opzicht adequaat gezelschap staat met grote aantrekkingskracht op het publiek. De kritiek van de Raad hebben we ter harte genomen. Er volgt nu een gesprek met de hoogste ambtenaren en met de staatssecretaris Medy van der Laan. '' Het Nationale Toneel ontvangt van OCW €2.090.148 en van Den Haag €3.045.000.

Ook Toneelgroep Amsterdam maakt incidenteel gebruik van cultuurfondsen als het Prins Bernhard Cultuurfonds. Van OCW ontvangt het gezelschap €2.274.250 en van de stad Amsterdam €3.365.120. ,,De fondsen verwijzen naar elkaar,'' aldus woordvoerder Renée Jongejan. ,,Als bijvoorbeeld het rijk over de brug komt, is de gemeente eerder geneigd ook bij te springen. Men wil zo weinig mogelijk risico lopen. Er is een `succesfactor' in het spel.''