De loonruimte is ook maar een mening

De FNV, boos over de in haar ogen gebroken beloften van het kabinet, stelt nu een looneis van 3 procent. Wat betekent dat precies?

3 procent. Dat eist de FNV, de grootste vakcentrale, nu het gemeenschappelijke front van de sociale partners voor een effectieve loonstop is gebroken. Het kabinet eist nog steeds de nullijn. De werknemers zijn terug van nul naar 3 procent wegens de in hun ogen gebroken belofte van Balkenende-II om het sociale stelsel niet verder uit te kleden.

Het overleg van kabinet en sociale partners in de Sociaal Economische Raad ligt stil, en dat blijft in ieder geval zo tot de grote demonstratie die voor zaterdag 2 oktober staat gepland. Met nog maar 1 procent van de CAO's die voor 2005 zijn afgesloten – en dus 99 procent die nog moeten worden overeengekomen – worden de komende maanden hoogst ongewis. De voorspellers van het Centraal Planbureau kunnen weliswaar naar eer en geweten de ontwikkeling van de economie en overheidsfinanciën voor de rest van dit jaar en 2005 hebben voorspeld, als de loonontwikkeling alsnog geheel de andere kant opgaat dan de voorziene matiging, dan staat Nederland er plots heel anders voor.

De vraag is: is de 3 procent die de FNV nu vraagt een reële eis? Het antwoord valt in drie delen uiteen.

Allereerst is er de opbouw van de eis zelf. Vroeger ging het bepalen van de `loonruimte' volgens een bepaalde formule – de productiviteitsontwikkeling vermeerderd met de prijsontwikkeling. Tegenwoordig is de calculatie diffuser. Dat komt doordat FNV voor het vaststellen van de onderhandelingsruimte naast cijfers van het CPB voor arbeidsproductiviteit, de productiestijging en de inflatie, ook minder precieze factoren meeweegt. Die factoren zijn volgens de nota van FNV waarin het de looneis toelicht ,,werkgelegenheid, de productie en de arbeidskosten''.

Vaststaat dat de eis nu in twee delen uiteen valt: een contractloonstijging van 1,25 procent, en een stijging van 1,75 procent om de negatieve financiële effecten van de maatregelen van het kabinet te compenseren. Het is moeilijk te onderscheiden of de eis nu keihard 3 procent bedraagt, of dat er een kennelijke ondergrens is van 1,25 procent en een wat `zachtere' bovenlaag van 1,75 procent.

Dat leidt tot het tweede deel van het antwoord. Elke onderhandeling resulteert uiteindelijk in een compromis, zodat het niet reëel is rampscenario's te maken die uitgaan van het daadwerkelijk realiseren van de volledige eis van 3 procent in de loonstijging. Bovendien heeft het kabinet gedreigd CAO's die boven de nullijn uitkomen niet algemeen verbindend te verklaren. De soep wordt dus waarschijnlijk uiteindelijk lauw gegeten.

Maar zelfs dan zit er een weeffout in zowel de opstelling van het kabinet als die van de vakbeweging, stelt Martin van

Oijen, econoom bij de stafgroep economisch onderzoek van de Rabobank. ,,De eis van de bonden is generiek. Wij zien meer in loondifferentiatie. De ene sector in het bedrijfsleven draait beter dan de andere.'' Sommige bedrijven kunnen een loonstijging moeilijk verdragen. Zij kunnen kostenstijgingen niet of nauwelijks doorberekenen aan hun afnemers. In dat geval leidt een loonstijging tot een druk op de winstgevendheid. Maar andersom treft het verwijt generiek te werken ook het kabinet, dat de nullijn integraal wil vasthouden, stelt Van Oijen. ,,Er zijn bedrijven en sectoren die een loonstijging best aankunnen. Als daar ook de nullijn wordt aangehouden, dan schaadt dat onnodig de consumptie in Nederland.''

Wat een generieke eis voor een loonstijging in ieder geval zal bewerkstelligen, is dat de winsten van het bedrijfsleven onder druk komen, en het aandeel van winsten in het nationaal inkomen daalt. Aan de andere kant van die vergelijking is de consequentie dat het aandeel van arbeid in het nationaal inkomen, de zogenoemde arbeidsinkomensquote, stijgt.

En die arbeidsinkomensquote, nu rond de 86 procent, is al hoog in vergelijking met het verleden, zegt directeur sociale zaken J.W. van der Braak van VNO-NCW, toen dat cijfer rond de 80 lag.

Mede daarom is de looneis van 3 procent volgens Van der Braak onverantwoord. De vakbeweging maakt met de eis meer een beleidskeuze, zegt hij, dan dat ze zich laten leiden door objectieve economische gegevens.

De door de FNV berekende loonruimte had volgens hem net zo goed op 1 of 2 procent kunnen uitkomen, in plaats van de naar voren geschoven 3 procent. ,,Wat de totale loonruimte wordt, blijft een beetje hocus-pocus.''

    • Elsje Jorritsma
    • Maarten Schinkel