Mythe rond de koets

De gouden koets is een geschenk van het eenvoudige Amsterdamse volk aan de jonge koning Wilhelmina. Zo gaat althans de mythe. Maar het is een mythe die van meet af aan zorgvuldig werd geregisseerd, zo blijkt uit een artikel in Ons Amsterdam. De spontaniteit wordt in twijfel getrokken door historica Inge Judith Nobel.

De koets werd vervaardigd door de firma Gebr. Spijker. Ook toen al werd creatief omgegaan met pr: voor de internationale uitstraling zou `de eervolle opdracht' om een koninklijke koets te bouwen natuurlijk zeer behulpzaam zijn. Maar het koningshuis zelf bestelde geen koets. Volgens Nobel werd handig ingespeeld op nationale sentimenten om het te doen lijken dat de koets in opdracht van ,,het Amsterdamse volk'' werd gebouwd.

Zeker is inderdaad dat er een Oranje-Vriendenkring bestond van tachtig leden in de Willemsstraat in de Jordaan. Uit krantenberichten uit 1896 blijkt – maar ook uit een brochure van Spijker – dat deze Willemsstraters de koningin een huldeblijk wilden geven.

In januari 1897 blijkt dat de Oranjevereniging, samen met een groot aantal andere Amsterdamse buurtverenigingen, een gouden koets willen schenken. Hieraan was een `Eere-comité' verbonden, waarvan de leden ook lid waren van een al in 1896 door de burgemeester ingesteld comité dat alle initiatieven rond de inhuldiging moest coördineren. Voorzitter was commissionair in effecten Jan H. van Eeghen, commissaris van rijtuigenfabriek Spijker.