Lieve dieren

Onze correspondent in Londen vond met vallen en opstaan zijn weg in de Engelse taal en omgangsvormen. Een korte handleiding.

Het Londense bureau van deze krant is sinds een jaar uitgebreid met een hond. Ze heet Lucy en ze is een Irish terriër, een roodharig, middelgroot en licht eigenwijs model. Ik had me een paar jaar verzet, maar de rest van het gezin had een langere adem. Niettemin: geen seconde spijt. Stokken gooien in de buitenlucht en soebatten of ze nu alsjeblieft de eenden in de parkvijver met rust wil laten zijn ideaal om na de dagelijkse deadline een uurtje te onthaasten. Maar zeker zo interessant zijn de doorkijkjes die je via een hond in het Britse karakter krijgt.

Laten we er niet omheen draaien. Noem een extravert en warm volk en de kans is klein dat je met deze eilandbewoners aankomt. Zeg bijvoorbeeld goedemorgen in de metro of de bus en ze kijken je aan of je een oneerbaar voorstel doet en verstoppen zich schichtig achter hun krant. Maar als je een hond bij je hebt, blijkt dat ze wel degelijk in staat zijn tot intermenselijk contact. Met de hond als tussenpersoon.

,,Zo, hallo, hoe heet jij? Wat heb jij grappige oren! En wat mag jij dan wel voor merk hondje wezen?'', zeggen wildvreemde heren en dames tegen Lucy. Of, als je iemand anders met een hond tegenkomt, die met zijn modderpoten tegen je aanspringt en vlokken geel slijm achterlaat: ,,Ja, ja, het zijn me rakkers.'' Waarna het ijs is gebroken en je een gesprek kunt beginnen. Nu ja, over honden dan. En dat het zulke rakkers zijn.

Met het welzijn van sommige dieren, zoals de vos, hebben Britten weinig scrupules, maar honden zijn heilig. Ze zijn, zoals Daan van der Vat, Londens correspondent van De Tijd in de jaren vijftig, zei ,,ideaal gezelschap voor een emotioneel onbeholpen en intens schuw volk dat in eindeloze gesprekken met lievelingsdieren een substituut zoekt voor de moeilijke omgang met de medemens''.

En onder die medemens verstaan ze ook, en misschien zelfs vooral, hun eigen kinderen. Britten weten niet hoe snel ze hun kroost moeten uitbesteden aan nanny of boarding school, als ze het kunnen betalen, maar honden zeggen niks terug en doen niet moeilijk. Die mogen in het bed van het baasje slapen, worden op de mond gekust, mogen ongestraft het meubilair vernielen, anderen lastig vallen en worden verder zo vertroeteld dat de helft van alle Britse honden lijdt aan ziekelijk overgewicht (Britten houden namelijk zoveel van ze dat ze hetzelfde dieet van vet en zetmeel krijgen als de rest van de familie).

Hun sociale status is niet verwonderlijk, gelooft Kate Fox, een antropologe uit Oxford die haar landgenoten recent onder de loep heeft gelegd (in Watching the English). Want in hun hond zien Britten hun inner child, dat alle vrijheden krijgt die ze, geremd als ze zijn, zichzelf misgunnen. ,,Via onze honden kunnen we onze meest on-Engelse neigingen uitdrukken en de regels overtreden'', aldus Fox. De pub bij mij om de hoek zegt het korter. ,,Honden en kinderen niet welkom'', staat op de deur.

Maar je kunt het ook omdraaien: juist via hun hond houden de Britten zich aan hun regels. Bijvoorbeeld als ze vinden dat het tijd wordt om verder te gaan, maar het, zoals wel vaker, niet rechtstreeks willen zeggen. Dat gaat dus zo: ,,Jouw baasje zal nu wel weer eens naar huis willen, hè? So I won't keep you.''

Over twee weken: Vader Kerstmis