Hoofddoekje

De jonge moslimvrouw en de sportschoolhouder.

Ze kenden elkaar alleen van de telefoon en toen was het al meteen verkeerd gegaan. Gisteren zagen ze elkaar voor het eerst in levenden lijve. Ze verschenen in Utrecht voor de Commissie Gelijke Behandeling, waar de moslimvrouw een klacht tegen de sportschoolhouder had ingediend wegens discriminatie op religieuze gronden.

De moslimvrouw was in de sportschool te Breda aan een proefles begonnen met een hoofddoekje op. Ze werd snel door een medewerker van de vloer gehaald. Het huisreglement verbood het dragen van religieuze hoofddeksels, zoals hoofddoeken, tulbanden en keppeltjes.

De moslimvrouw mocht wel in het voor iedereen toegankelijke horecagedeelte van het bedrijf komen, niet in de fitnessruimten daarachter. Daar konden alleen betalende leden van de club terecht.

De drie vrouwelijke leden van de Commissie Gelijke Behandeling luisterden aandachtig naar de twee partijen. Het werd een nogal onbehaaglijke vertoning. Er vielen zware woorden. De advocaat van de moslimvrouw gebruikte de term `islamofobisch', wat de sportschoolhouder diep griefde.

Hij wilde gewoon geen religieuze uitingen `in zijn huiskamer', zei de sportschoolhouder steeds. Sport was een areligieuze en apolitieke bezigheid, en dat moest het vooral blijven, vond hij. Wat kon wel niet de volgende stap zijn als hij die hoofddoekjes toestond? Dat moslima's ook gingen eisen dat er voor hen een gescheiden saunaruimte kwam?

De jonge moslima, een studente, bleek een verbaal begaafde vrouw. Ze wilde helemaal niet naar de sauna, zei ze tegen de commissie, ze wilde alleen maar gebruikmaken van de sportfaciliteiten. Sport was voor haar geen middel om haar religie uit te dragen. Niet zij, maar de tegenpartij maakte er een religieuze kwestie van.

Ze had in de sportschool baseballpetjes, bandana's en tatoeages gezien, maar hoofddoekjes, nee, dat mocht niet. Die baseballpetjes zijn uitingen van mode, niet van religie, verweerde de sportschoolhouder zich.

De lastigste vragen bewaarde de commissie voor de sportschoolhouder. Die wilde graag de indruk wekken dat zijn bedrijf een vereniging was die op grond van haar reglementen mensen kon weigeren. Maar de sportschoolhouder moest beamen dat zijn club een BV was, geen vereniging waar leden een stem hebben. Je zou een sportschool dus misschien kunnen vergelijken met bijvoorbeeld een restaurant, dat ook niet om godsdienstige redenen klanten mag weigeren.

Waarom had de moslimvrouw niet voor een `creatieve oplossing' willen kiezen, vroeg de sportschoolhouder zich nog af. Hij had moslima's onder zijn klanten die hun haar wegstopten onder een petje of bandana. De commissie stelde de vraag niet aan de moslimvrouw, dus daarom deed ik het maar na afloop. Nee, zei ze beslist, daar begin ik niet aan, want dan is mijn hals onbedekt.

Daarmee was alles gezegd wat er gezegd kon worden. De commissie spreekt binnen twee maanden haar oordeel uit. De sportschoolhouders van Nederland moeten nog even in angstige afwachting verkeren.