Het land van Calvijn en olie

Het kabinet van premier Balkenende kiest bij de tweede begroting bewust voor de moeilijkste weg: sterk bezuinigen in een periode dat de economie stilstaat. De calvinistische achtergrond van Balkenende en Zalm laat zich gelden: zelfcontrole, eigen verantwoordelijkheid, soberheid en sparen.

Het gevoel van overvloed is omgeslagen in een sfeer van onbehagen. Het kabinet-Balkenende II, dat vandaag de `Nota over de toestand van 's rijks financiën' presenteert, ziet zich gesteld voor een sobere werkelijkheid. Er valt geen populariteit te winnen door extra geld uit te geven zoals in de nadagen van de paarse kabinetten. Het politieke klimaat is gekanteld, de economische vooruitzichten zijn gematigd. De verhouding van het kabinet met de vakbeweging is gedaald tot een niveau van vijandigheid zoals zich dat in zeker twintig jaar niet heeft voorgedaan. Wég is het triomfalisme over het weergaloze succes van het Hollandse poldermodel. In Europa behoort Nederland tot de economische achterhoede, de overheidsfinanciën hebben een waarschuwing uit Brussel opgeleverd.

Het begrotingsbeleid van het kabinet richt zich op de strikte interpretatie van het Stabiliteits- en Groeipact dat de landen die deelnemen aan de euro verplicht om zich te houden aan begrotingsdiscipline en dat meerjarige tekorten straft. Het streven is om in 2007 de overheidsfinanciën weer op orde te hebben.

Hier is sprake van Europese ironie. Anderhalve week voor prinsjesdag bespraken de Europese ministers van Financiën in Scheveningen een voorstel van de Europese Commissie om de regels van het Stabiliteitspact in de toekomst te versoepelen. In uitzonderlijke omstandigheden, zoals een lange periode van tegenvallende economische groei, zouden de tekorten hoger mogen uitvallen zonder dat boetes worden opgelegd. Dit plaatst minister Zalm (Financiën) in een spagaat. Vorig jaar november stond hij in Brussel in de voorste linie om de harde lijn jegens Frankrijk en Duitsland te handhaven, nu moet hij als voorzitter van de raad van ministers van Financiën de discussies leiden over aanpassingen van het Stabiliteitspact. Getooid met zijn Europese alpino zoekt Zalm een compromis over versoepeling van de Europese regels, met zijn Nederlandse steek houdt hij vast aan herstel van de nationale begrotingsdiscipline.

Regeren is een kwestie van omzien. De afgelopen vier jaar is de Nederlandse economie nauwelijks gegroeid. In plaats van een gemiddelde groei van 2,25 procent per jaar, de behoedzame raming die het kabinet gebruikt als uitgangspunt voor het financieel-economische beleid, is de economie over de gehele periode 2001-2004 slechts met 2 procent toegenomen, en komend jaar blijft de groei naar verwachting opnieuw onder de maat. Als de economie zich vanaf 2001 aan het behoedzame scenario had gehouden, zou het bruto binnenlandse product in 2005 tegen de 10 procent groter zijn geweest dan in werkelijkheid het geval is. Anders gezegd: Nederland heeft een ingeboekte welvaartstoename van zo'n 40 miljard euro niet gerealiseerd. Omstreeks de helft hiervan is de publieke sector misgelopen en dit is grosso modo het bedrag dat deze kabinetsperiode wordt omgebogen. De pijn van het begrotingsbeleid van Balkenende II is de verdeling van deze gemiste miljarden.

Toen de ministers van het tweede kabinet-Balkenende aantraden, troffen ze een zorgwekkende boedel aan. Om te beginnen was er bestuurlijk veel tijd verloren als gevolg van de politieke ontreddering veroorzaakt door het fenomeen-Fortuyn. Bovendien was de nalatenschap van het tweede paarse kabinet, dat in zijn nadagen totaal was uitgeblust, allesbehalve rooskleurig. Het bejubelde begrotingsbeleid van Zalm was goed geweest voor tijden van hoogconjunctuur, maar bleek niet bestand tegen de stagnatie van de economie. Het stelsel van sociale zekerheid bleef ondanks reeksen reorganisaties niet in staat om grotere arbeidsdeelname te bevorderen. De gezondheidszorg had te maken met een uitgavengroei zonder dat duidelijk was waar het extra geld bleef. Het poldermodel, de trots van Paars en wereldwijd bejubeld, was uitgemond in stevige loonsverhogingen ten tijde van een kortstondig overspannen arbeidsmarkt waardoor de concurrentiekracht structureel was verslechterd. De welvaartsgroei van de late jaren negentig had dit allemaal toegedekt, maar zodra er minder geld viel te besteden, kwamen deze tekortkomingen aan de oppervlakte.

Omkijkend was er nóg iets zichtbaar: de verontrustend snel naderende grijze golf. De generatie van de babyboomers die Nederland sinds het einde van de jaren zestig in cultureel, sociaal, politiek en economisch opzicht domineert, stevent af op terugtrekking uit het maatschappelijk actieve bestaan. Over twee jaar vieren de eerste na-oorlogse geboortegolvers hun zestigste verjaardag en daarna gaat het snel met de afzwaai van deze generatie naar de VUT, het prepensioen en de AOW.

Nederland staat aan de vooravond van een dubbele demografische omslag. Niet alleen gaat de grote naoorlogse generatie binnenkort met pensioen, tegelijkertijd zal de omvang van de bevolking, mogelijk al volgend jaar, in absolute aantallen mensen voor het eerst dalen. Hiermee sluit Nederland aan bij de historische ombuiging van bevolkingsgroei naar -daling die in de jaren negentig elders in Europa al is ingezet.

De verhouding tussen het aantal 65-plussers en personen in de economisch actieve leeftijdscategorie tussen 20 en 64 jaar zal de komende veertig jaar toenemen van 22 procent op dit moment naar 43 procent. Deze demografische verschuiving heeft gevolgen op alle terreinen van het collectief gefinancierde bestel van de verzorgingsstaat. De hervormingen van de sociale zekerheid, aanpassingen van de gezondheidszorg en de versobering in het begrotingsbeleid die het kabinet nastreeft zijn gericht op de opvang van deze omslag naar een samenleving met een gemiddeld oudere bevolking. Balkenende II wil Nederland vergrijzingsbestendig maken. Het is een streven dat past in het calvinistische karakter van dit kabinet.

Aan het begin van de vorige eeuw formuleerde de Duitse econoom en socioloog Max Weber zijn beroemd geworden stelling over de protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme. De calvinistische leer der voorbestemming leidde tot zelfcontrole, eigen verantwoordelijkheid, soberheid, sparen met het oog op de toekomst en een rationalistisch streven naar winst. Hieruit verklaarde Weber waarom het moderne kapitalisme in de zestiende en zeventiende eeuw juist in de protestante delen van Europa opkwam. Is het toeval dat op het ogenblik in Nederland het financiële en sociaal-economische beleid grotendeels wordt vormgegeven door politici en ambtenaren met een protestantse achtergrond? Premier Balkenende, minister Zalm, minister De Geus, staatssecretaris Wijn, topambtenaren bij Financiën, Sociale Zaken en Algemene Zaken – en trouwens ook minister Donner van Justitie – hebben gestudeerd aan de gereformeerde Vrije Universiteit. Balkenendes nadruk op normen, waarden en eigen verantwoordelijkheid is een hedendaagse illustratie van de stelling van Weber over de protestantse ethiek.

Vanuit dit perspectief vallen de maatregelen die dit kabinet neemt op hun plaats. De collectieve arrangementen van de verzorgingsstaat worden in hoog tempo aan deze nieuwe realiteit aangepast. De sociale zekerheid, het (pre-)pensioenstelsel en de gezondheidszorg, zoals die zijn opgezet in de vorige eeuw, zijn gebaseerd op het uitgangspunt van een alsmaar toenemende bevolking en een groeiende economie. Zolang het aantal premiebetalers harder toeneemt dan het aantal uitkeringsgerechtigen, is er geen vuiltje aan de lucht. Het is als met een piramidespel: dat keert ook alleen maar uit als er steeds nieuwe inleggers worden gerekruteerd.

Voor de lange termijn hanteert dit kabinet een `generatiebenadering' van het begrotingsbeleid: de uitgaven en lastendruk moeten over 25 jaar ook nog houdbaar zijn, gegeven de verwachte economische groei en de vergrijzing. De eerste voorwaarde om de toekomst betaalbaar te houden is dat de economie na vier jaar gesukkel in een hogere versnelling komt. Minister Brinkhorst (Economische Zaken) heeft deze zomer een `Groeibrief' gepresenteerd met voorstellen om de Jan Salie-geest te verdrijven. Er moet meer en vooral langer gewerkt worden om de economische groei op een structureel hoger plan te tillen. Groei helpt bovendien om de ontspoorde publieke financiën op orde te krijgen, omdat dit tot meer inkomsten (belastingen) en minder uitgaven (uitkeringen) leidt.

Eind vorige eeuw nam het aantal economisch actieven – en daarmee het aantal belasting- en premiebetalers – spectaculair toe dankzij de stijging van de arbeidsparticipatie van vrouwen, waar Nederland een achterstand had ten opzichte van andere Europese landen. Maar deze inhaalslag is gedaan en nu moeten er andere manieren verzonnen worden. Het kabinet wil economisch inactieven aansporen sneller aan het werk te gaan en oudere werknemers om langer te werken. De fiscale begunstiging van VUT- en prepensioen gaat op de helling en maakt plaats voor een levensloopregeling. CAO's worden niet langer op alle punten algemeen verbindend verklaard, met als doel de hoge loonkosten te beteugelen, en de dubbelloop van WW en afvloeiingsregelingen bij ontslag wordt geschrapt.

Volgens minister De Geus (Sociale Zaken) zijn de aanpassingen van de sociale zekerheid die dit kabinet wil doorvoeren hiermee zo'n beetje rond. Dat is bij de hervormingen in de gezondheidszorg allesbehalve het geval. Minister Hoogervorst (Volksgezondheid) staat nog maar aan het begin en ook hier gaan de kabinetsplannen in dezelfde richting. Mensen moeten grotere eigen verantwoordelijkheid nemen, niet alle beschikbare behandelingen en middelen worden meer collectief gefinancierd. De versobering van de AWBZ, de Algemene wet bijzondere ziektekosten, en de complete herziening van het stelsel van ziektekostenverzekeringen in 2006 zullen nog voor heel wat politiek ongemak – en publieksprotesten – zorgen.

De paradox van hervormingen is dat ze vrijwel altijd plaatsvinden als ze slecht uitkomen. In tijden van voorspoed zou het gemakkelijker zijn, maar dan is de noodzaak minder zichtbaar en wordt de politieke druk opgevoerd om extra geld uit te geven zonder structurele hervormingen. Dat gebeurde in 2001. Nu saneert het kabinet de begroting en voert het achterstallig onderhoud uit in de zorg en sociale zekerheid, terwijl de economie nauwelijks van zijn plaats komt. De Nederlandse economie krijgt ook al geen impuls van andere Europese landen. Alle continentale Europese economieën worstelen met dezefde problemen. De zogenoemde Lissabon-agenda, die de Europese regeringsleiders vier jaar geleden aankondigden om van de EU de meest dynamische economische regio van de wereld te maken, heeft tot nu toe weinig opgeleverd. De welvaartskloof met de Verenigde Staten is er niet minder op geworden, de inkomensverschillen in Europa zijn groter dan die in de VS.

Er is één troost. De internationale financieel-economische onzekerheden die onder meer worden aangewakkerd door de semi-staat van oorlog in Irak, heeft geleid tot een sterke verhoging van de olieprijzen. Aangezien de olieprijzen bepalend zijn voor de prijzen van het aardgas, zijn er aanzienlijke meevallers voor de schatkist aan extra aardgasbaten te verwachten. Als die niet, zoals in de jaren zeventig van de vorige eeuw, verjubeld worden in collectieve uitgaven, gloort er hoop. Met de indirecte steun van de OPEC kan Nederland de komende jaren wennen aan minder welvaartsgroei tegen de achtergrond van de demografische omslag. Met andere woorden: de tering naar de nering zetten. Dat is ook een illustratie van de calvinistische ethiek.