Gemeenten geen loket van het rijk

Het kabinet is van plan in 2006 de onroerendzaakbelasting (ozb) aan een maximum te binden en het gebruikersdeel van de ozb af te schaffen. De gemeenten zijn hier fel tegen. Zij verliezen immers een belangrijk deel van hun toch al beperkte bestuurlijke armslag om eigen beleid te kunnen voeren. Het lokale belastinggebied in Nederland behoort tot de allerkleinste van heel Europa. Na deze maatregelen zijn wij straks de hekkensluiter van de EU. Het kabinet zal zich hiervoor in november moeten verantwoorden voor de Raad van Europa.

Van oudsher wordt als een gezonde voorkeursvolgorde voor de financiering van gemeenten aangehouden: eigen inkomsten, algemene uitkering, specifieke uitkering. In Nederland is dat inmiddels precies omgekeerd. Van de gemeentelijke inkomsten komt 45 procent uit specifieke uitkeringen voor door het rijk bepaalde en voorgeschreven onderwerpen; 37,9 procent komt uit de vrij besteedbare algemene uitkering en 17,1 procent is afkomstig uit eigen gemeentelijke inkomsten. Gemeenten hangen zo stevig aan het rijksinfuus en dat zal straks, als het kabinet zijn zin krijgt, alleen maar sterker het geval zijn.

Het belangrijkste motief voor deze voorstellen is de grote ergernis die de gemeentelijke lasten bij de burger veroorzaken. De afgelopen jaren is van gemeentelijke kant herhaalde malen duidelijk gemaakt dat het verwijt dat de gemeentelijke lasten exorbitant zouden stijgen, geen hout snijdt. De Rijksuniversiteit Groningen heeft onlangs in een rapport aangetoond dat de gemeentelijke woonlasten in de jaren 1998-2004 niet of nauwelijks zijn toegenomen. Veel indruk heeft dit op de critici, het kabinet incluis, niet gemaakt.

Daarvoor zijn twee redenen. De eerste is dat lokale belastingen heel zichtbaar zijn. Ze zijn zichtbaarder dan rijksbelastingen die worden ingehouden op het salaris (loonbelasting), ze zijn verwerkt in de prijs van producten (btw en accijns) of ze worden verrekend in een grote transactie (overdrachtsbelasting) en samen vormen ze een veelvoud van de lokale lasten. De gemeenten nemen slechts 3,2 procent van de totale belasting- en premieopbrengst voor hun rekening. Voor gemeentelijke belastingen en heffingen valt een aparte rekening op de mat.

De tweede reden voor de ergernis over lokale lasten is dat voor veel burgers onduidelijk is hoe het tarief tot stand gekomen is, waarom dit in hun gemeente hoger is dan elders en soms ook waaraan de opbrengsten besteed worden.

Om al deze redenen kunnen pleidooien voor beperking van het gemeentelijke belastinggebied op sympathie rekenen die soms dwars door de partijen heen loopt. Toch zou het niet alleen uitermate kortzichtig zijn om aan dat sentiment toe te geven, maar ook zeer schadelijk voor de kracht en kwaliteit van de lokale democratie. Als gemeenten niet meer over een volwaardig eigen belastinggebied beschikken, worden zij een uitvoeringsloket van het rijk dat voor belangrijke beslissingen de hand in Den Haag moet ophouden. Lokale democratie verwordt dan tot bestuurlijke bedeling. Wat een gekozen burgemeester daar te zoeken heeft is mij een raadsel. Daarom pleiten de gemeenten niet alleen voor behoud van hun belastinggebied, maar ook voor een verschuiving in de orde van grootte van 3 miljard euro van rijksbelastingen naar lokale belastingen.

Toch kunnen de gemeenten hiermee niet volstaan. Zij zullen ook moeten werken aan verbetering van het draagvlak onder de bevolking voor lokale belastingen en heffingen. Daarvoor zijn zes acties noodzakelijk:

Alleen verhoging van lokale belasting boven de kosten van levensonderhoud wanneer dit helder wordt verantwoord (voor bestemmingsheffingen geldt al de eis dat deze nooit meer dan kostendekkend mogen zijn);

Aanzienlijke vereenvoudiging van de lokale belastingen en heffingen, te beginnen met de ozb en de taxaties van woningen en bedrijfspanden;

Een uniform rekenmodel voor het berekenen van de hoogte van de heffingen op het gebied van afvalstoffen, riolering, secretarieleges en bouwleges (al zal dat niet leiden tot uniforme tarieven);

Publieke vergelijking van de gemeentelijke lasten;

Voor bijzondere heffingen zoals toeristen- en parkeerbelasting een zichtbaarder relatie aanbrengen tussen opbrengsten en besteding;

Werk maken van een meer klantvriendelijke afhandeling van de lokale belastingen en klachten daarover.

Ralph Pans is voorzitter van de directieraad van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.