Gedwongen burgerschap

Integratie van minderheden is een Europese zaak, vindt minister Verdonk. Bijna alle EU-landen hebben dezelfde problemen.

In Nederland bestaat een brede consensus om eisen aan nieuwkomers te stellen. Inburgering wordt verplicht gesteld. De vrijblijvendheid is definitief voorbij.

Het kabinetsbeleid, gesteund door een Kamermeerderheid, is gericht op een verplichte aanpassing van immigranten aan de Nederlandse kernwaarden en -normen. Het gaat om zaken als vreedzaam samenleven, het respecteren van de rechtsstaat, de vrijheid van het individu en tolerantie ten opzichte van de medeburger.

In de beleidsagenda bij de begrotingsstukken voor 2005 hamert minister Verdonk (Vreemdelingenzaken en Integratie) daar ook op: ,,Inburgering is het begin van een integratieproces, dat uiteindelijk zal moeten leiden tot volwaardig en gedeeld burgerschap.'' Het doel is volgens Verdonk de ,,aanzienlijke afstand tussen het overgrote deel van etnische minderheden en autochtonen in sociaal, cultureel en economisch opzicht te overwinnen''.

Tevens toont de minister zich een voorstander van een Europese aanpak inzake integratie. Volgens haar kennen bijna alle lidstaten vergelijkbare problemen: segregatie in de grote steden, identiteitsproblemen bij migrantenkinderen, onvoldoende arbeidsmarktparticipatie, taalachterstanden en discriminatie. De samenhang binnen Europa wordt bedreigd, voorspelt ze, als we daar niet goed mee omgaan.

Dit idee gaat in tegen de slotbeschouwing van het Centraal Planbureau en het Sociaal en Cultureel Planbureau in hun rapport Bestemming Europa, Immigratie en Integratie in de Europese Unie. Daarin wordt gesteld dat migratiebeleid en integratiebeleid juist gebaat lijken bij een nationaal beleid. Wel lijkt het hun nuttig om via de methode van open coördinatie te leren van de ervaringen in de andere lidstaten.

De twee planbureaus schetsen een beeld van de situatie met betrekking tot immigratie en integratie in de Europese Unie. Zo bestaan er belangrijke verschillen in het integratiebeleid tussen de lidstaten. Het Verenigd Koninkrijk en Duitsland hebben bijvoorbeeld geen specifiek integratieprogramma, terwijl landen als Spanje en Noorwegen (in het land van herkomst) zo'n programma wel bieden.

Ook verschilt de mate van vrijwilligheid van deelname aan integratiecursussen. In Frankrijk, Oostenrijk en Denemarken sluit de immigrant een integratieovereenkomst af die voorziet in sancties bij verzuim. Meestal heeft het niet voldoen aan de overeengekomen vereisten negatieve gevolgen voor de verlenging of het verkijgen van een permanente verblijfsvergunning – zoals ook Nederland voorstaat.

Het rapport van de planbureaus betoogt dat de uitvoering van het integratiebeleid gebaat is bij een nationale aanpak. ,,De nationale overheid zal immers beter in staat zijn'', aldus de samenstellers, ,,om haar beleid toe te spitsen op de specifieke behoeften van de bevolking dan de EU.''