Friedhof

Veel aandacht in de regionale pers voor het begin van de bevrijding van Nederland in het uiterste zuiden, september 1944. De eikels vallen opnieuw, daarom dit keer een ultrakorte streekroman.

De boerderij waar mijn moeder woonde werd in de oorlog verwoest. Ze werd herbouwd. Tien jaar later zette mijn oom het bedrijf van mijn opa voort. De boerderij lag een flink eind buiten het dorp. Op de fiets kon je haar bereiken via een kronkelig bospad. Ik herinner me een van de eerste visites. Mijn moeder wees me op de diepe voren langs het pad. Dat waren de sporen van de bevrijders, daar kwamen ze met hun tanks diep door de aarde gebaggerd. Ik zat op een kussentje op de bagagedrager. Het was een jaar of vijftien jaar na de oorlog.

Later reed mijn moeder op een solex naar de boerderij. Ik bereed een meisjesfiets met racestuur. Met mijn voorwiel tegen haar achterspatbord zwiepten we tussen de bomen door. Ik was een heuse stayer. Normaliter werd er alleen op betonnen wielerbanen achter de grote motoren gereden, maar ík deed het op een slingerend zandpad. In mijn ooghoeken zag ik dat de sporen van de bevrijders veel aan diepte hadden ingeboet.

Andere sporen van de oorlog bleken bestendiger. Niet ver van de boerderij lag, en ligt nog altijd, een Soldatenfriedhof: iets meer dan 30.000 kruisjes in een onberispelijk patroon op een geschoren grasveld. Af en toe komt er een kruisje bij. Wanneer een boer op zijn akker nog wat sporen in de vorm van een paar botten en een helm omhoog heeft geploegd.

Consequent spreekt mijn moeder van `de moffen' als het over de oorlog gaat. Hoewel ze een broer en een zus verloor spreekt ze vol compassie over de laatste Duitsers op de boerderij. Dan heeft ze het over een paar slecht bewapende dreumesen van zeventien in gestolen manchester broeken die door de commandant uit drildrift op hun knieën door de blubber van de moestuin werden geranseld. Af en toe werd er eentje tegen de muur werd gezet.

Op zondagochtend togen we vaak naar het Friedhof. Op een bepaald graf werden bloemen gelegd. Ik herinner me vaag die ochtenden op de weide vol kruisjes. Te jong was ik om van de onmetelijkheid van het veld onder de indruk te raken.

Ik was veertien toen ik bevoegd (ha, officiële wedstrijdlicentie!) wielrenner werd. Na het wegseizoen reed ik veldritten. In de herfstbossen rond de boerderij zette ik een trainingsparcours uit. Op één punt van het parcours had ik tussen de stammen door even uitzicht op het Soldatenfriedhof. Er begon me iets te dagen. `Time The Destroyer', zou ik niet veel later lezen. Ik begreep de dichter moeiteloos.

Wanneer de eikels beginnen te vallen haal ik de terreinfiets tevoorschijn. Ik zoek het niet bewust op, maar minimaal een keer per jaar passeer ik het punt met uitzicht op de weide. Wat ik zie is de glorieuze onvermijdelijkheid van die graven.

Op de fiets zie je de dingen soms scherper.