Alles is menselijk, ook het kapitaal

De Nederlandse arbeidsproductiviteit per uur is een van de hoogste ter wereld, maar groeit nauwelijks. Een puzzel die in Den Haag nog niet is opgelost.

In de miljoenennota laat het kabinet er weinig twijfel over bestaan. Nederland heeft aan concurrentiekracht ingeboet omdat de arbeidskosten zijn opgelopen, maar ook omdat de arbeidsproductiviteit de afgelopen jaren nauwelijks is gestegen. En dat, zo schrijft het kabinet, kan zo niet langer.

Als Nederland het groeivermogen van de economie weer wil versterken, zal er harder aan getrokken moeten worden. Meer mensen moeten harder werken. De structurele groei van de Nederlandse economie is namelijk de resultante van de groei van het arbeidsaanbod en de arbeidsproductiviteit. En dus moeten meer mensen aan het werk, althans, moet er meer gewerkt worden per hoofd van de bevolking. Nu werkt een gemiddelde Nederlandse werknemer 1.340 uur per jaar, tegen 1.650 uur gemiddeld in de Europese Unie en 1.815 uur in de Verenigde Staten. Daarnaast moet de arbeidsproductiviteit omhoog, door overheidsinvesteringen in onderwijs, onderzoek en innovatie en door een gezond concurrentieklimaat. Zo wordt een omgeving gecreëerd waarin bedrijven bereid zijn te investeren.

De wens om de economie er structureel bovenop te helpen is begrijpelijk: Nederland scoort sinds de economische dip beduidend slechter dan andere Europese landen. Het Centraal Planbureau (CPB) wijdt in zijn vandaag gepresenteerde Macro Economische Verkenning 2005 een heel hoofdstuk aan de arbeidsproductiviteit, ofwel het `menselijk kapitaal'. Menselijk kapitaal, zo schrijft het CPB, bestaat uit kennis en vaardigheden die productief ingezet kunnen worden in het productieproces. Onderwijs en training en (werk)ervaring dragen dus bij aan het menselijk kapitaal.

De Nederlandse arbeidsmarkt is de afgelopen decennia drastisch veranderd, aldus het CPB. Waar halverwege de jaren zeventig nog 60 procent van de werkgelegenheid werd bezet door mensen met alleen basisonderwijs of lager voortgezet onderwijs (mavo, vbo), daalde dat aandeel aan het begin van dit millennium tot onder de 25 procent. Eerst namen de middelbaar geschoolden de banen van de lager geschoolden over (van een kleine 25 procent in 1975 tot bijna 45 procent in 2002). Het aandeel van werknemers met hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs groeide in diezelfde periode van 14 procent (1975) naar ruim 25 procent. Sinds 1997 is de verhouding tussen lager, middelbaar en hoger geschoolden redelijk stabiel. In de jaren negentig is het aantal mensen dat werkte fors gegroeid dankzij de economisch florissante tijden van die periode.

De toestroom van hoger opgeleiden had een positief effect op de arbeidsproductiviteit. Maar een deel van die winst werd tenietgedaan door een eveneens groeiende deelname van werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Hun lage productiviteit trok het gemiddelde weer naar beneden. En hoewel er steeds meer hoger opgeleiden gingen werken, nam het relatieve aandeel van de lager opgeleiden in de werkende bevolking toe. Anders gezegd: in 2002 zijn er relatief minder laagopgeleiden werkloos en stelt een groter deel zich beschikbaar voor de arbeidsmarkt dan tien jaar daarvoor.

De relatieve toename van het aantal lager geschoolden op de arbeidsmarkt de afgelopen jaren heeft dus een drukkend effect op de arbeidsproductiviteit, constateert het CPB. Niet dat dat een reden is om lagergeschoolden de toegang tot de arbeidsmarkt te ontzeggen. Hun deelname leidt nog steeds tot een hogere welvaart en ze houden door te werken hun vaardigheden en kennis op peil, hetgeen de welvaart in latere jaren ten goede komt. [Vervolg ARBEID: pagina 16]

ARBEID

Centraal Planbureau staat voor puzzel

[Vervolg van pagina 13] De analyse van het Planbureau is interessant, maar belangrijker is de oplossing. Het kabinet wil immers dat Nederland weer in de Europese kopgroep komt, en daarvoor is een combinatie van arbeidsparticipatie én -productiviteit het medicijn. Op dat punt heeft het CPB slecht nieuws. De analyse mag dan op een aantal vragen het antwoord geven en een aantal mythes ontkrachten, het echte antwoord blijft ,,een puzzel''. Eentje die ook het CPB graag zou oplossen, gezien ,,het belang van productiviteitsgroei voor de ontwikkeling van de welvaart op lange termijn''.

Een aantal puzzelstukjes is bekend, zeggen de rekenmeesters. De hoge Nederlandse arbeidsproductiviteit komt nu voor rekening van de industrie, en niet van de dienstensector. Daar is zowel het niveau als de groei van de productiviteit laag. Ook maakt het Nederlandse bedrijfsleven nog te weinig gebruik van de mogelijkheden die ICT biedt om de productiviteit te verhogen. Dat hogere lonen tot hogere arbeidsproductiviteit zouden leiden, is slechts op de korte termijn waar. Voor de lange termijn zijn hoge lonen funest voor de werkgelegenheid.

Een ,,belangrijke sleutel voor gestage groei van de arbeidsproductiviteit'' moet gezocht worden in mededinging. Voldoende concurrentie houdt bedrijven scherp, maar onbekend is nog of er voldoende concurrentie is in de Nederlandse dienstensector.

Hoe moet de puzzel verder worden opgelost? Het bijblijven op het gebied van innovatie is een must, maar in zekere zin ook gefundenes Fressen. Voor het overige heeft Nederland in zekere zin last van de wet van de remmende voorsprong. Zoals bekend is de productiviteit hier al een van de hoogste ter wereld, maar de verdere groei is er grotendeels uit. Het opleidingsniveau is gemiddeld al hoog en het percentage lager opgeleiden op de arbeidsmarkt is al laag. Langer werken heeft wel een welvaartsverhogend effect, maar is niet zonder meer productiviteitsverhogend.

Wat wel een oplossing biedt is een betere allocatie van zowel arbeid als kapitaal. Zit iedere werknemer wel op de plek waar hij of zij het beste tot zijn recht komt? En worden alle bedrijven, met name in de dienstensector, wel voldoende uitgedaagd om het beste boven te laten komen? De oplossing hier is samen te vatten als het toestaan en bevorderen van een grotere concurrentie. Dat geldt zowel voor het menselijk kapitaal als voor het kapitaal zelf. Een grotere mobiliteit van zowel arbeid (werknemers) als kapitaal (investeringen) verhoogt de productiviteit, omdat zij steeds optimaal worden aangewend.

Maar wil de Nederlandse werknemer het wel: nog harder werken en nog productiever zijn? Deze afweging tussen welvaart en welzijn is een van de politieke keuzes die de miljoenennota 2005 herbergt.