Vreemdeling

Ga op een zaterdag met de metro naar station Ganzenhoef in Amsterdam Zuidoost, loop voorbij het winkelcentrum Ganzenpoort en bezoek de markt die daarachter ligt. Er wacht je, althans als blanke Nederlander, een eigenaardige gewaarwording: je bent een uitzondering tussen al die honderden zwarte mensen.

Het is alsof je op het plein van een Surinaams of Afrikaans stadje bent beland.

Er staat een enkele Nederlandse kraam, maar daarmee houdt het op. Overal om je heen worden, afgezien van het Engels en een mondjevol Nederlands, onverstaanbare talen gesproken, en er worden goederen aangeboden die in de reguliere Nederlandse winkel moeilijk te krijgen zijn: Indiase stoffen, exotische groenten, onbekende vissen, gerookte varkensstaarten.

Een jonge Hindoestaanse vraagt naast me aan een groentekraam om `Dominicaanse advocado', een groot type avocado. ,,Hoe eet je 'm?'' vraagt ze. ,,Zoals je zelf wilt'', zegt de verkoper, ,,je kunt 'm ook prakken voor de baby.'' Ik vraag uitleg over andere groenten, de jonge verkopers zijn niet onwelwillend, maar ze kunnen me niet altijd helpen.

Bij een nogal wanordelijke viskraam stuit ik op nog levende schelpdieren in emmertjes. Hoe ze heten? ,,I don't know'', zegt een zwarte verkoopster onverschillig. Bij een andere viskraam staan de namen van de vissen gelukkig vermeld: Jarra Baka, verse Kwi-Kwi, red fish uit Ghana.

Deze markt werkt als een magneet op de zwarte mensen in de Bijlmer en de verre omtrek daarvan – tot uit Almere schijnt men te komen. Het gaat vooral om Afrikanen (met name Ghanezen), Surinamers en Antillianen. Al op de Bijlmerdreef, de weg naar de markt, bekruipt me het gevoel dat ik hier een vreemdeling ben in eigen land. Er zijn hoofdzakelijk buitenlandse winkels waar sarongs op maat en Indiase kinderkleren en snuisterijen worden aangeboden.

In café 't Pleintje, of all names, sta ik mijn biertje tussen vrolijk, maar ondoordringbaar pratende Ghanezen en Surinamers te drinken. Om in de stemming te blijven, eet ik bij bakker Chin Tjon een broodje zoutvlees dat wel erg zout is.

Intussen kijk ik door het raam naar de hangende, zwarte mannen langs de Bijlmerdreef, eindeloos in talmende beweging, opgeruimd pratend en lachend. Zijn er dealers onder? Ongetwijfeld. Wil je een snorder? Vervoeg je bij hen en ze verwijzen je naar andere groepjes, waar altijd wel een jongen is die je straks verderop met zijn auto komt ophalen.

Hoe is het om als autochtone Nederlander hier te wonen? ,,Op zo'n markt kijk ik in verwondering rond'', zegt een vriendin. ,,Ik vind het er niet onplezierig, maar als koper heb ik er niet veel te zoeken. Bijna alle goede winkels zijn trouwens uit de omgeving verdwenen. Op de Ghanezen ben ik niet zo dol, ze vertikken het om Nederlands te spreken, ik vind ze nogal arrogant.''

Een Nederlandse man, die vlak bij de markt woont, klaagt over de vuiligheid en de overlast van drugsgebruikers. Hij wil hier wel weg, hij gelooft niet meer in integratie in de Bijlmer.

's Avonds kom ik thuis met moten verse koebie, een riviervis uit Suriname, een cassave en kousenband. De koebie is lekker, de kousenband gaat wel en de cassave zal het wat mij betreft nooit van het bintje winnen – kwestie van nationale trots?

    • Frits Abrahams