Nederlandse jeugdzorg wordt afgebroken

Over de teloorgang van de jeugdzorg is dringend een debat nodig, menen Josine Junger-Tas, Paul Vlaardingerbroek en Ido Weijers. Nemen we de strenge VS als voorbeeld of de humane Scandinavische landen?

Er is een tijd geweest dat de Nederlandse Kinderbescherming en het Jeugdstrafrecht tot de beste van de wereld behoorden. Nederland werd als gidsland beschouwd. Van heinde en verre kwamen delegaties naar Nederland om onze jeugdinrichtingen te bezoeken. In die tijd speelde ons land eveneens een belangrijke rol op dit terrein in internationale organisaties als de Raad van Europa en de Verenigde Naties. Nu lijkt het alsof deze situatie zich in een ver verleden afspeelde maar we hoeven slechts terug te gaan tot het einde van de jaren '80 van de vorige eeuw.

Hoe kon het gebeuren dat we toen slechts 800 inrichtingsplaatsen nodig hadden en nu 2.400 plaatsen nog niet genoeg lijken? Dat inrichtingen van maximaal 70 kinderen uitgroeien tot inrichtingen van honderden kinderen? Dat de oude Justitiële jeugdinrichtingen in enkele jaren zijn veranderd in vestingen, omgeven door enorme hekwerken? Dat er steeds harder en langer gestraft wordt? Hoe is te verklaren dat we zo weinig geïnteresseerd zijn in goede alternatieven, dat we ook voor niet-ernstige delicten nog maar één oplossing zien en dat is kinderen vast te zetten? Dat in Justitiële jeugdinrichtingen nog amper behandeling kan plaatsvinden, kinderen steeds langer `achter de deur' moeten zitten en ambulante begeleiding wegbezuinigd wordt?

Als de kinderrechters, die als weinig anderen dicht op de materie zitten, zich dit voorjaar via een alarmerend manifest tot het publiek en de politiek wenden en een Marshallplan voor de Jeugdzorg verlangen, volgt daar deze zomer slechts een keiharde bezuiniging voor de hele sector op. Er moet door de Justitiële jeugdinrichtingen 17 procent worden bezuinigd, nadat in deze sector op vele plaatsen al jarenlang een sterk versoberingsregime is gevolgd. Maar tegelijk moeten ze sterk uitbreiden.

Als de directeuren van de inrichtingen, die met deze onmogelijke opdracht worden opgezadeld, op de problemen en verslechteringen wijzen die hiermee onvermijdelijk gepaard gaan, worden ze weggezet als `klagers', die men `zat' is. ,,Niets is te dol om te proberen'', verkondigde sectordirecteur Geerdink op 4 september in deze krant. Dat klinkt flink, maar sommige dingen zijn werkelijk te dol, omdat we weten dat ze schadelijk en contraproductief zijn. De huidige beleidsrichting leidt tot de ondergang van het Nederlandse systeem dat eens onze trots was.

Zo gaat men in deze sector nu ook experimenteren met meer persoonscellen. Daarmee lijken we stap voor stap terug te gaan naar de slaapzalen uit de 19de eeuw. Het kan immers altijd nog zuiniger. Geen enkele overweging van psychologische of pedagogische aard lijkt aan een dergelijke beslissing ten grondslag te liggen, geen enkel betoog over wat men met een dergelijke ingreep hoopt te bereiken, behalve bezuinigen. Uit voorbeelden elders en uit het verleden weten we dat de kans op ernstige misstanden niet denkbeeldig is. Kinderen lopen in de meermanscel, gezien het ontbreken van toezicht 's nachts, de kans te worden verkracht, mishandeld of bedreigd door één of meer celgenoten.

De vraag moet worden opgeworpen wie hiervoor – mede – de verantwoordelijkheid gaat dragen: de minister van Justitie of de experimenterende directies. In meermanscellen loopt niet alleen een aantal kinderen gevaar, een veel groter aantal zal psychische schade ondervinden van deze extra spanning. In justitiële inrichtingen verblijven vrijwel zonder uitzondering bijzonder kwetsbare, problematische jongeren. De meermanscel betekent voor hen een bedreiging voor hun ontwikkeling.

Justitie lijkt het besef te ontberen wat samenplaatsen en minder groepsleiders behalve voor de jongeren ook voor de sfeer en de verhoudingen binnen de inrichting betekent. Wat deze jongeren werkelijk nodig hebben om straks weer in de samenleving te kunnen functioneren zonder in criminaliteit te vervallen lijkt geen overweging van belang. Als jongeren niet zelf aangeven dat ze `gemotiveerd zijn voor behandeling' wil de minister dat in hen niet verder wordt geïnvesteerd.

In het licht van de vergrijzing en de slogan `de jeugd is onze toekomst' lijkt het er langzamerhand op dat Nederland zijn jeugd niet waard is: het gaat immers ieder jaar over duizenden die door de molen van het strafrecht gaan en die allemaal op een gegeven moment weer in de samenleving terugkomen. De vraag is dan hoe ze terugkomen en welke rol ze daar nog kunnen spelen. Recidive-cijfers na inrichtingsbehandeling stemmen bepaald niet vrolijk. De nu te treffen maatregelen zullen dit beeld nog ernstig verergeren. Wij pleiten niet voor een zachte benadering. Vroegtijdig, snel en consequent ingrijpen is voor ons uitgangspunt. Maar ook een stevige benadering biedt wel degelijk alternatieven voor de huidige initiatieven. Er bestaat een aantal interventies, gebaseerd op gedegen wetenschappelijk onderzoek die ambulant uitgevoerd kan worden en die hun succes heeft aangetoond. Dat vereist wel dat minder vaak en minder lang tot plaatsing in een inrichting moet worden besloten. Nederland is één van de snelste stijgers in Europa met betrekking tot de omvang van de inrichtingspopulatie en het aantal jeugdinrichtingen. Tot hoe ver wil ons land hiermee doorgaan?

Het allertreurigste is dat hierover geen enkel debat bestaat. Wij roepen op tot een dergelijk debat onder kinderrechters, het OM, kinderbeschermingsinstanties, inrichtingsdirecteuren, het Ministerie en specialisten in Jeugdbescherming en Jeugdstrafrecht, en ook onder volksvertegenwoordigers. Wat voor systeem willen we eigenlijk, hoe kunnen we er voor zorgen dat Nederland tot de beschaafde naties blijft behoren: bieden de strenge VS het voorbeeld of zijn dat eerder de humane Scandinavische landen?

Prof.dr. Josine Junger-Tas, criminoloog, en prof.dr. Ido Weijers, pedagoog, zijn verbonden aan het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen van de Universiteit Utrecht. Prof.mr. Paul Vlaardingerbroek is hoogleraar familie- en jeugdrecht aan de Universiteit van Tilburg.

    • Ido Weijers
    • Paul Vlaardingerbroek
    • Josine Junger-Tas