Kijk aan, een mening

Eén van ons begon over Israël en het nederzettingenbeleid, over de muur, over de Palestijnen, over de schande. Nu dat vond iedereen wel zo'n beetje en we begaven ons al een eindje dat gesprek in en zochten naar de plekken waar we van mening verschilden om eens fijn te gaan discussiëren. Degene over wiens moeilijkheden op het werk we het tot daarvoor gehad hadden, verontschuldigde zich en zei dat we al veel te lang over zijn problemen hadden gepraat. Maar toen greep iemand in die tot dan toe gezwegen had en die zei nee, dat gesprek over het werk was zinvol geweest, want daarover konden we misschien iets zeggen dat de situatie verbeterde. Nu echter begaven we ons in een zinloos gesprek dat lang zou kunnen duren maar hoe dan ook tot niets zou leiden, hoezeer het ons misschien ook bezighield.

We keerden terug op onze schreden en namen een ander onderwerp beet – het voorbije en toekomstige leven, de onbetrouwbaarheid van het geheugen, verdwenen brieven of de reputatie van sommige schrijvers.

Hadden we gelijk? Bij die gelegenheid wellicht wel, maar in het algemeen? Het valt moeilijk vol te houden dat je alleen maar over dichtbije, veranderbare dingen moet spreken. Tegelijkertijd is het weer moeilijk tegen te spreken dat het praten over `Amerika', `Israël', `de oorlog in Irak' vaak uit veel gemeenplaatsen bestaat, uitgewisseld tussen matig geïnformeerde mensen en dat zulke gesprekken, al weet men er zich in de regel behoorlijk in op te winden, nergens toe leiden.

Wil je dan soms geen mening hebben over wereldproblemen?

Hm, nee, dat is ook geen aantrekkelijke optie – al zijn er veel wereldproblemen waarover zo goed als niemand een mening heeft. De wereld is te groot en te ingewikkeld. En er komt dat gevoel van grote zinloosheid bij: wat doet het ertoe wat ik vind met betrekking tot de oorlog in Irak en de Amerikaanse redenen om die oorlog te beginnen c.q. vol te houden. Al was je nog zo op de hoogte en schreef of las je er krantenpagina's vol over, het maakte niets uit. Bush noch zijn adviseurs zullen ooit tegen elkaar zeggen ,,Look here, daar staat something quite interesting in deze Nederlandse krant, daar zouden we ons toch eens iets van aan moeten trekken.''

Al die meningen in Nederland over vooral Amerika en Israël – wat doen ze ertoe? Bij verkiezingen kiest bijna iedereen op grond van overwegingen die te maken hebben met binnenlandse politiek, hoe belangrijk het buitenland ook is. En waarom zou iemand een heel precieze mening moeten hebben over de conflicten in het Midden-Ooosten en over de verdiensten of het gebrek daaraan van Bush en intussen de algemeen gebruikelijke desinteresse ten aanzien van Europa kunnen vertonen? Het voelt helemaal niet zo schandalig om weinig te weten over hoe Europese besluitvorming precies in zijn werk gaat, wat allerlei Europese besluiten precies behelzen en wat ze ertoe doen voor ons dagelijks leven – terwijl je zou denken dat er weinig interessanter is dan dat.

Opinies en de onderwerpen waarover ze moeten gaan, zijn niet weinig onderhevig aan mode.

Wat geen reden moet zijn om geen standpunten te hebben natuurlijk of om niet op de hoogte te willen zijn. De gijzeling van de schoolkinderen in Beslan was buitengewoon schokkend. Het stuk dat Coen van Zwol daarna in deze krant schreef over de manier waarop in Rusland op het hoogste niveau over deze dingen gepraat wordt, wat voor soort maatregelen men neemt, hoe men de problemen denkt aan te pakken of niet, hoe men het eigen volk onwetend probeert te houden, was bijna even schokkend. Op zulke momenten is men zijn krant – en deze correspondent – enorm dankbaar en dan zou je best een uurtje met vrienden willen praten over `Rusland'. Al zou dat gesprek weer snel verzanden bij gebrek aan meer informatie – we zouden elkaar het stuk van Van Zwol gaan navertellen en doen alsof dat onze meningen waren. Verder zijn gesprekken over de verdiensten of het gebrek daaraan van Poetin niet zo in tel. Een onderwerp dat minder in de mode is om opinies over te hebben.

In dezelfde zaterdagkrant van vorige week stond ook een stuk over een onderwerp veel dichter bij huis: de huisarts George Wolfs en zijn verloren gevecht om zijn werk te doen op de manier die hem de beste leek. Na twee overvallen door junks waarbij de politie verklaart niets voor hem te kunnen doen, is hij afstandelijker geworden tegen zijn patiënten en niet langer bereid junks te behandelen.

Daarover zou je wel avonden kunnen, en moeten, praten. De algemene onmacht bij onze bestuurderen om problemen op te lossen, met als gevolg dat de politie zogeheten veelplegers, dus mensen die de levens van andere mensen verpesten en veel overlast en schade veroorzaken, júist niet aanpakt. De huisarts wist wie zijn praktijk in brand had gestoken, wie zijn auto had gestolen, de politie kende de daders ook, maar ja, bewijzen, dat kost geld en tijd, daar kunnen we niet aan beginnen en de achterliggende gedachte zal wel zijn: het heeft geen zin want al hebben we die jongen dan met bewijs te pakken, dan nog loopt hij zo weer op straat. Waarmee veelplegers een vrijbrief hebben: er zal ze geen strobreed in de weg gelegd worden. En waarmee burgers vogelvrij zijn verklaard.

Eenzelfde angstaanjagende verhaal stond vorige week zaterdag in Trouw, over een buurt in Amsterdam waar de problemen heel groot zijn maar de deelraad tot weinig komt omdat men het drukker heeft met het ontkennen van de problemen of het doen van mediagenieke uitspraken dan met oplossingen. Het verhaal werd geschreven door Job van Amerongen die zich uit idealisme en overtuiging kandidaat had gesteld voor de deelraad en van wie je nu al kon zien dat hij dit niet vol ging houden. Want ook daar weer kon de politie nooit iets doen en zijn de burgers de klos: van de mode om psychiatrische patiënten zelfstandig te laten wonen, van de overtuiging dat junks nooit gedwongen behandeld mogen worden, van de angst om te zeggen dat het Marokkaanse jongens zijn die vrouwen uitschelden, portieken bekladden, inbraken plegen en ruiten vernielen, van de vrees van de politiek dat als men deze buurt, die architectonisch heel bijzonder is, als een probleembuurt gaat beschouwen er geen toeristen meer komen.

En heeft het nu meer zin om daarover te praten dan over het nederzettingenbeleid van Israël?

Dit klinkt als een retorische vraag.

Toch moesten we er maar over blijven praten, en schrijven, en ons opwinden. Al mogen het voorbije en toekomstige leven, de onbetrouwbaarheid van het geheugen, verdwenen brieven of de reputatie van sommige schrijvers als onderwerpen natuurlijk niet verwaarloosd worden.