Irak heeft Iran brutaler gemaakt

Iran heeft gisteren de eis van het Internationale Atoom Bureau verworpen om zijn programma's voor uraniumverrijking te bevriezen. Karim Sadjadpour stelt dat de oorlog in Irak het regime in Teheran nieuw leven heeft ingeblazen.

In het voorjaar van Iran, kort nadat troepen onder leiding van de Verenigde Staten Bagdad verrassend snel hadden ingenomen, voorspelden heel wat westerse analisten een frisse wind in Teheran.

Denk nog eens terug aan wat er toen mogelijk leek: de ontluikende (seculiere) democratie in Irak zou Iran tot voorbeeld dienen of misschien afgunstige Iraniërs tegen hun antidemocratische mollahs doen opstaan; de val van Bagdad en de daaropvolgende omsingeling van Iran door Amerikaanse troepen in Irak, Afghanistan en de sjeikdommen aan de Perzische Golf zou de leidende mollahs in Teheran zo bang maken dat ze hun leven beterden; de meest gerespecteerde shi'itische geleerden en geestelijken van Iran – merendeels tegenstanders van het theocratische bewind à la Khomeiny – zouden van Qom naar Najaf vluchten, waar zij vrijelijk de religieuze legitimiteit van de Islamitische Republiek zouden kunnen bekritiseren en mogelijk de massa's zouden ophitsen. Voor wie wist hoe groot de onvrede onder de Iraanse bevolking was, leken zulke scenario's niet ondenkbaar.

Maar die mensen gingen er wel van uit dat na de oorlog in Irak een soepele transformatie zou plaatsvinden. Terwijl functionarissen van de regering-Bush beweerden dat succes in Irak de politieke cultuur van het Midden-Oosten zou veranderen, leken maar weinigen stil te staan bij de regionale repercussies voor Washington als de zaken eens niet volgens plan verliepen. Wat Iran betreft heeft de chaotische toestand in het naoorlogse Irak de mollahs in Teheran niet schuchter gemaakt, maar juist brutaler. Op dit moment – bijna 17 maanden na de val van Bagdad – lijkt het islamitische regime in Iran steviger in het zadel te zitten dan in meer dan tien jaar het geval is geweest.

Volgens vele analisten zijn de problemen die Amerika na de oorlog in Irak heeft ondervonden, voor een belangrijk deel te wijten aan inmenging door Iran. Ofschoon deze verklaring op zichzelf al te gemakkelijk is, zit er wel een kern van waarheid in. Aangezien diverse functionarissen en adviseurs van de regering-Bush hadden laten doorschemeren dat na Bagdad Teheran aan de beurt zou komen, lag het voor de hand dat Iran zijn best zou doen om de naoorlogse overgang in Irak zoveel mogelijk te dwarsbomen.

Tegelijkertijd beseften de leiders in Teheran ook wel dat een burgeroorlog in Irak – die naar Iraans gebied zou kunnen overslaan – ook niet in hun belang zou zijn. Vandaar dat Iran in de praktijk een beleid heeft gevoerd van 'beheerste chaos': zorg voor voldoende onrust in Irak om de Verenigde Staten te weerhouden van plannen voor een nieuw regime in Iran, maar steun geen grootschalige opstand.

In plaats zijn geld op één paard te zetten, heeft Iran zijn inzet in Irak gespreid. Zowel Moqtada al-Sadr, de radicale shi'itische geestelijke die in Irak een islamitische republiek wil vestigen, als Ahmad Chalabi, de seculiere shi'itische expat die nauwe banden had met mensen van de regering-Bush, onderhoudt betrekkingen met Teheran.

Maar Iran lijkt toch vooral steun te geven aan de gerespecteerde, ogenschijnlijk gematigde, in Iran geboren geestelijke ayatollah Ali Sistani. Bij hoofdelijke democratische verkiezingen in Irak, zo wordt in brede kring aangenomen, zullen Sistani en zijn aanhangers de overwinning behalen. En gezien Sistani's religieuze en culturele banden met Iran heeft Teheran alle vertrouwen dat na een zege van Sistani de invloed van Teheran in Irak groter zal zijn dan die van Washington. Daarom lijkt de gedachte aan een democratisch gekozen Iraakse regering Washington meer zorgen te baren dan Teheran.

Een soortgelijke combinatie van onbetrouwbaar en sluw optreden heeft Iran laten zien inzake zijn nucleaire strategie. Ondanks de kans op dreigementen door de VS en Israël en veroordeling door Europa heeft Teheran zich nauwelijks ingehouden. Vooraanstaande Iraanse functionarissen – onder wie ayatollah Ali Khamenei, president Muhammad Khatami en de invloedrijke Ali Akbar Hashemi Rafsanjani – hebben telkens weer benadrukt dat Iran geen belangstelling heeft voor het ontwikkelen van kernwapens. ,,Wij zijn bereid alle nodige garanties te geven dat wij niet zullen streven naar kernwapens”, heeft Khatami onlangs verklaard. ,,Als moslims mogen wij geen kernwapens gebruiken, en wie geen kernwapens mag gebruiken zal ze niet produceren.''

Gezien Irans dubieuze staat van dienst jegens het Internationale Atoom Bureau (IAEA) heeft dit maar weinigen overtuigd. ,,Wat zij doen is alsof je een ballpoint koopt voor 25.000 dollar'', zei een nucleaire analist die het Iraanse programma kent tegen mij. ,,Als zij alleen maar een civiel programma voor kernenergie willen opzetten, doen ze veel meer dan nodig is.''

Behalve nucleaire plannen heeft Teheran ook ambities op het gebied van regionale hegemonie, die de ruimte hebben gekregen door het vacuüm dat is ontstaan doordat de Amerikanen Saddam Hussein hebben verwijderd. Mohsen Rezaii, het voormalige hoofd van de Iraanse Revolutionaire Garde, heeft de aspiraties van Teheran kort samengevat: ,,Waarom zou Iran niet de grote voorvechter van vrede, gerechtigheid, ontwikkeling en democratie in de regio zijn? Zonder Iran zijn stabiliteit en veiligheid in de regio niet mogelijk, en de aanwezigheid van Iran is voor alle naties noodzakelijk, zelfs voor de Amerikanen.”

Na jarenlang abstracte islamitische belangen boven nationale belangen te hebben gesteld, laten de steeds machtiger wordende conservatieven nu paradoxaal genoeg steeds vaker dezelfde retoriek horen die dertig jaar geleden ook sjah Mohammad Reza Pahlavi hanteerde. Net als toen zullen Irans buurlanden Teheran in zijn rol als zelfbenoemde politieman van de Golfregio met het nodige wantrouwen bezien.

Maar hoewel de positie van Iran tijdelijk lijkt te zijn versterkt, is het nog veel te vroeg om te voorspellen wat uiteindelijk de gevolgen van de oorlog in Irak zullen zijn. Niet alleen de toekomst van Irak staat op het spel, maar ook die van zijn buurlanden. In elk geval hebben de heersende mollahs in Teheran tot dusverre veel meer reden tot tevredenheid dan hun tegenhangers in Washington. In plaats van het islamitische regime in Iran te smoren, lijkt de oorlog in Irak het nieuw leven te hebben ingeblazen.

Midden-Oosten-analist Karim Sadjadpour is werkzaam in Teheran en Washington. © Daily Star