In processie de Britse natuur in

Britse wandelaars konden gisteren voor het eerst particuliere natuurterreinen binnen. Is dat, na het verbod op de vossenjacht, een nieuwe overwinning van de stad op het platteland?

Paulette en Les en Janet en Celia en Bernard en nog zo'n twintig middelbare Britten met degelijke schoenen, windjacks, rugzakjes en een gezonde blos verzamelen zich elke week bij een plattelandspub om daarna gemoedelijk pratend in processie de natuur in te trekken. Maar gisteren hing er een ongebruikelijke spanning in hun groep. Want dit stukje Sussex, een helling van de groengele kalksteenheuvelrij ten noorden van Brighton, was tot dan toe streng verboden toegang. Nu werd het voor het eerst opengesteld.

Ze waren niet de enigen. Overal in Zuidwest-Engeland, de Midlands trokken gisteren duizenden wandelaars stukken hei, moeras- en heuvelland binnen die tot dan toe gesloten waren. Zo vierden ze het in werking treden van de nieuwe wet over het zogeheten right-to-roam of `zwerfrecht', die het komend jaar in Engeland en Wales in totaal 800.000 hectare open terrein, merendeels particulier bezit, voor het publiek zal ontsluiten. Ofwel zo'n 160 keer het oppervlak van de Hoge Veluwe.

,,Dit is een historische dag voor ons'', zegt Les Campbell (54), voorzitter van deze afdeling van de Ramblers Association, de landelijke wandelvereniging, als hij het klaphek open zet naar het nieuwe terrein. ,,Gisteren zouden we nog trespassers zijn geweest. Vandaag kunnen we gaan en staan waar we willen om van de natuur te genieten.'' De groep applaudisseert.

Wandelverenigingen als de Ramblers, opgericht in 1905, en oudere groepen voeren strijd voor toegang tot gesloten natuurterreinen sinds de industriële revolutie vaart kreeg en de grote steden in kolendamp verstikten. Met steun van linkse politici en hervormers als John Stuart Mill beriepen ze zich daarbij op de traditie dat de meeste open ruimte vroeger vrij toegankelijk was. Dat oeroude Engelse en Schotse burgerrecht werd door landeigenaren in praktijk steeds verder beperkt. In een reeks wetten, waaronder de instelling van nationale parken in 1949 hebben de wandelaars in etappes hun zin gekregen. Maar nog in 1932 raakten ze in Derbyshire bloedig slaags met jachtopzieners. Die confrontatie tussen stad en platteland, de klassenstrijd die ook mee-echoot in het geëscaleerde debat over de vossenjacht, is nooit verdwenen.

Alun Michael, de staatssecretaris voor Plattelandszaken, zou dit weekeinde twee officiële openingen van natuurterreinen bijwonen, één in Lancashire en één in de buurt van het `slagveld van 1932'. Maar op advies van de politie bleef hij weg, nadat militante tegenstanders van een verbod op de vossenjacht de bijeenkomsten dreigden te verstoren. Michael zei dat hij de feestvreugde van de wandelaars niet wilde bederven. De vossenjagers zeiden dat het platteland voortaan een no go-area is voor Labour-politici, die geen enkel begrip zouden tonen voor de way of life van het platteland.

De eigenaar van deze helling in Sussex met vogelkers en braamstruiken laat zich niet zien bij de opening van zijn terrein. Maar volgens de Ramblers-groep heeft hij loyaal meegewerkt aan de landelijke meet- en karteeroperatie die aan de wetgeving voorafging. Dat is niet overal het geval geweest. Sommige landeigenaren geloven dat de grenzen van het nieuwe openbare terrein te ruim zijn getrokken, en ook dat wandelaars zich niet zullen houden aan de nieuwe `code', waardoor gewassen worden beschadigd en vee verschrikt. Een deel van hen blijft weigeren wegwijzers neer te zetten of paden te onderhouden.

Toch zijn er aanwijzingen dat de oude breuk tussen stad en platteland kan helen. Ten eerste omdat de tweedeling tussen stad en land vervaagt; verstedelijking rukt op, boeren vormen een afnemend deel van de bevolking en nemen zelf óók stadse gewoontes over. Ook het cliché van de edelman die met schoten hagel zijn landgoed verdedigt is grotendeels achterhaald. Andrew Cavendish, de in mei overleden elfde hertog van Devonshire en één van de grootste grondbezitters in de Midlands, gold als pionier van de vrije openstelling.

En ook onder wandelaars liggen de verhoudingen niet eenduidig. ,,We hebben een einde gemaakt aan beren- en hanengevechten, dus waarom zou de barbaarse vossenjacht moeten voortbestaan'', zegt een van de wandelaars in Sussex, een gepensioneerde gemeenteambtenaar, die bekent een hardgrondige hekel te hebben aan ,,de horsey people die zich te goed voor ons voelen''. Maar Janet, een andere wandelaarster, zegt dat de regering-Blair ,,tijd heeft verspild met het vossenjachtdebat, terwijl de tegenstanders van de jacht wel hypocriet de wreedheden tegen kippen en varkens in de bio-industrie blijven gedogen''.

Ten slotte lijken de partijen nader tot elkaar te zijn gekomen tijdens de mond- en klauwzeercrisis drie jaar geleden, toen het platteland op slot ging om besmetting met het virus te voorkomen en wandelaars en andere toeristen massaal wegbleven. Boeren en landeigenaren merkten aan den lijve hoe belangrijk buitensport was voor de plattelandseconomie. En ze zagen ook dat wandelaars zich wel degelijk verantwoordelijk konden gedragen. De komende jaren mogen beide groepen elkaar nog beter leren kennen.