Wanneer journalisten beter zouden werken, zou de kloof tussen media en politiek groter worden

Als we politici mogen geloven, is het met de kwaliteit van de pers slecht gesteld. Steeds meer bestuurders, meldt Gerard van Westerloo in zijn reportage in M, het maandelijkse magazine van NRC Handelsblad, menen zelfs dat ze beter af zouden zijn zonder ,,de vrije leugenpers''. En het wordt almaar slechter, aldus de volksvertegenwoordigers en ambtsdragers, die overigens maar weinig moeite doen hun opvattingen met steekhoudende argumenten te onderbouwen. Er valt dan ook heel wat op af te dingen.

Om te beginnen is het spreken in termen van `de media' – of zelfs `de pers' – misleidend. Daarmee wordt immers gesuggereerd dat ze één pot nat vormen: Hart van Nederland, De Telegraaf, Den Haag Vandaag, Barend en Van Dorp, het Friesch Dagblad, Tegenlicht, Story, Business News Radio en het NOS Journaal. Vervolgens is het nog maar een kleine stap naar versluierende generalisaties en borreltafelpraat over `de pers' die zich gedraagt als ,,een dronkeman die telkens de verkeerde steeg in wankelt'' (Wallage). Het is echter nog maar de vraag of de informatievoorziening werkelijk zoveel slechter is geworden, zoals alom wordt gesuggereerd.

Natuurlijk is er van alles mis in de journalistiek. Er worden fouten gemaakt, gemakzucht en vooringenomenheid zijn bepaald geen zeldzaamheid, omroepen, kranten en tijdschriften zetten hun onafhankelijkheid op het spel door in zee te gaan met commerciële belangen. Maar toch, ondanks deze en andere tekortkomingen, zijn er goede argumenten voor de stelling dat de kwaliteit van bijvoorbeeld de radiojournalistiek en de meeste dagbladen grosso modo bepaald niet lager is dan pakweg dertig jaar geleden.

Wanneer het negatieve oordeel van politici en bestuurders over het slechte functioneren van `de media' geen steun vindt in de feiten, moet de oorsprong van hun onvrede ergens anders gezocht worden. Daarmee dringt zich een interessante parallel op met de situatie in de jaren '60, toen het ook niet boterde tussen politici en journalisten. In de archieven van partijen, kranten en omroepen liggen de stille getuigen van deze vertrouwenscrisis: notulen, vergaderstukken en brieven waarin politici, lezers en kijkers hun ongerustheid en woede uiten over het eigengereide en respectloze gedrag van dagbladen en actualiteitenrubrieken.

De oorzaken van deze problemen lagen niet in de journalistieke werkwijze of in een gebrek aan objectiviteit als wel in de fundamentele veranderingen die zich in de samenleving voltrokken. Omroepen en dagbladen die decennialang tot de steunpilaren van de verzuiling hadden behoord en zich steeds uiterst loyaal hadden opgesteld jegens kerk en partij, maakten zich in korte tijd uit die knellende banden los. Journalistieke autonomie kwam voorop te staan en het duurde jaren voordat de gevestigde partijen en hun trouwe achterban zich aan de nieuwe verhoudingen hadden aangepast.

Zoals de crisis in de verhouding tussen politiek en journalistiek in de jaren '60 een direct gevolg was van de desintegratie van de verzuilde instellingen, zo moet de bron van de huidige onvrede eveneens worden gezocht in dieper liggende processen, te beginnen met de transformatie van het medialandschap en de veranderingen in de politieke cultuur.

Met de liberalisering van het mediabeleid, de overweldigende opkomst van commerciële televisie en de introductie van internet is ook in Nederland een samenhangend medialandschap ontstaan. Kranten, tijdschriften, radio en televisie zijn elkaars concurrenten geworden, niet alleen waar het gaat om lezers, kijkers en adverteerders, maar ook inhoudelijk, in journalistiek opzicht. De televisie neemt daarin een centrale positie in, niet als informatiebron – de kranten zijn in dat opzicht nog altijd toonaangevend – maar wel als katalysator, als vergrootglas en stemmingmaker. De snelheid en de intensiteit van de berichtgeving zijn daardoor sterk toegenomen.

Een vergelijkbaar proces speelde in de politieke cultuur. Verschijnselen die zich tijdens de ontzuiling al aarzelend aandienden, zijn sinds de jaren '90 in een stroomversnelling geraakt, zoals de afbrokkeling van de traditionele partijen, de personalisering van de politiek, het consumentengedrag van het electoraat en de veranderde positie van de overheid. Het is evident dat de media in deze ontwikkelingen een belangrijke rol hebben gespeeld, maar het zou onjuist zijn de oorsprong ervan uitsluitend dáár te zoeken. Net als in de jaren '60 vormen ze de weerslag van bredere maatschappelijke processen, die zich in de hele westerse wereld voltrekken.

De positie van politici en bestuurders is onder invloed van de nieuw politieke cultuur grondig veranderd. Ze zijn kwetsbaarder dan ooit voor wisselende stemmingen onder het publiek. De angst voor imagobeschadiging – opvallend in de reportage van Van Westerloo – voedt het verlangen de nieuwsvoorziening te controleren, met behulp van voorlichters en campagnes, desnoods met een mediawatch-instituut. De houding van politici tegenover de media is – noodgedwongen – dubbelhartig: aan de ene kant wordt afgegeven op de journalistiek, aan de andere kant worden precies die mechanismen bespeeld die men zegt te verafschuwen.

Er is, kortom, veel te zeggen voor de stelling dat de vertrouwenscrisis tussen media en politiek geen toevallig en tijdelijk maar een structureel probleem vormt. Eenvoudige oplossingen of holle frases zullen dan ook weinig soelaas bieden. Sterker nog, wanneer journalisten hun werk nog beter en in grotere onafhankelijkheid zouden verrichten, zou de kloof tussen media en politiek eerder groter dan kleiner worden. Politici en bestuurders weten dat ook. Niet voor niets richten zij hun pijlen vrijwel steeds op kranten en programma's die zich in hun nieuwsvoorziening juist in positieve zin onderscheiden.

Hoogleraar journalistieke cultuur aan de Universiteit van Amsterdam. Hij heeft meegewerkt aan diverse rapporten over het mediabeleid.

    • Frank van Vree