Vurig verlangen

Wiegertje Postma (17) vraagt zich af waarom haar onderbewustzijn haar zonodig aan de man wil brengen. De jongerencolumn van Spunk.

Hier houdt het op. Gelukkiger dan dit kan ik niet worden. Hij pakt mijn hand vast, speelt met mijn vingers en werpt me dan een diepe blik toe die zijn weerga in de magische wereld van het doorgrondende oogcontact niet kent. Dit is het. Het soort liefde dat zelfs de meest verbitterde cynica over bloemenweiden, babydieren en regenbogen doet fantaseren. En ik heb het gevonden. Vaarwel, dagen van stoutmoedig volhouden dat ik het gelukkigst ben in mijn eentje. Ik pruttel hem wat mooie, maar overbodige woordjes toe. Wij hebben geen woorden nodig om elkaar te begrijpen. Plotseling stormen twee troetelberen woest het vertrek binnen. Ze gebieden me ogenblikkelijk plaats te nemen in hun banaanvormige voertuig en verbieden me ieder verder contact met deze kansarme acteur. Vanaf de achterbank zie ik hem steeds kleiner worden. Een deel van mij rukt zich overmand door radeloosheid de haardos uit, het ander berust zich in het afscheid. Het geeft niet. De ware liefde heeft zich aan mij geopenbaard, of mijn geliefde nou in de buurt is of niet. Ik word bemind.

Ik ontwaak met een gelukzalige glimlach, me nog eens omwentelend in de zoete gemoedstoestand waarin ik verkeer. Tot ik me realiseer wat die toestand veroorzaakt heeft. Een droom. Direct zit ik rechtop in mijn bed. Een droom over ware liefde die afgezien van de wat onverwachte afloop misschien - niet had misstaan in de hoofsere passages van boeken met titels als 'Op de Vleugels van de Liefde' of 'Vurig Verlangen'. Beduusd zak ik terug in de kussens. Wat is hier gaande? Wie heeft de romantica in mij, die immer in mijn onderbewuste een teruggetrokken leven van celibatair kluizenaarsschap leidde, plotseling recht van spreken gegeven? Dat is helemaal niet de bedoeling en het bevalt me niks.

Als de liefde me alleen in mijn dromen lastig had gevallen, was de schade nog te overzien geweest. Weerzin om naar bed te gaan en een enkele slapeloze nacht, hoogstens. Maar zelfs in het volle daglicht jaagt het me na. Bij iedere poging om onschuldig televisie te kijken, word ik geconfronteerd met ontluikende verliefdheid, schuchtere eerste kusjes, mensen die in dierlijke harstocht elkaar de kleren van het lijf rukken en het onvermijdelijke hartzeer. Het structureel negeren van alle series en films helpt niets, want ook in reclames kan geen sterveling aan de liefdesdaad ontsnappen. Schoonmaakmiddel maakt dat de buurvrouw verlangend aan de voordeur krabt. Printerpapier is iets om je intens aan te verlustigen. Prima allemaal, als je het zo aan de mensen kan slijten. Maar ik begin me wat ongemakkelijk te voelen, nu de liefde zich op verschillende manieren zo aan mij opdringt.

En ik word er bang van. Ik zie wat het doet, met de mensen om mij heen. Het verval. De maandenlange relaties waarin het zelf, de vriendenkring en het openbare leven verwaarloosd worden. De talrijke avonden die men samen voor de televisie slijt. De tijdelijkheid van de schoonouders. Het zal heel knus en geborgen zijn voor velen, maar ik word er altijd wat benauwd en bekommerd van. Het zal wel veranderen ooit, hopelijk. Anders verword ik in plaats van een zelfstandige jongedame tot een tragische oude vrijster en dat kan nooit de bedoeling zijn.

Blijft de vraag waarom mijn onderbewuste er plotseling op gebrand is mij aan de man te krijgen. Mogelijk is het gewoon de goede oude oerdrang. De innerlijke schreeuw die laat weten dat ik vruchtbaarheidsgewijs aan het pieken ben, en dat ik, leefde ik in 1384, al ruimschoots aan het baren had moeten zijn. Ik ben niet van plan om aan deze roep gehoor te geven, hoe dringend en aloud die ook is. Ik heb de troetelbeertjes aan mijn kant. Dat is ook niet niks.

    • Wiegertje Postma