Veiligheid staat bij polo voorop

In het Franse Chantilly werden gisteren de halve finales van het wereldkampioenschap polo gehouden. Engeland en Brazilië haalden de eindstrijd.

Polo werd 2500 jaar geleden al beoefend op de steppen van Mongolië en door het koloniale keizerrijk Engeland in de negentiende eeuw verspreid. Het is naar alle waarschijnlijkheid de oudste teamsport ter wereld. Toch zijn de regels kennelijk zo onbekend, dat de commentator gisteren tijdens de halve finales van het wereldkamioenschap in het nabij Parijs gelegen Chantilly ook de liefhebbers langs de kant uitgebreid voorlichtte.

Behalve de regels werden ook de spelers en de paarden toegelicht – en de veemarkt die een polowedstrijd nog is. Sommige meespelende dieren – Argentijnse `criollos' en Arabische volbloeden met een schofthoogte van tussen de 1.55 meter en 1.65 meter – worden ter plaatse verhandeld. De halve finales liepen slecht af voor Chili, dat verloor van Engeland (6-5), en voor gastland Frankrijk dat verloor van Brazilië (9-4). Morgen wordt de finale gespeeld.

Al kan de toeschouwer de bal, met een doorsnee van acht centimeter, bijna niet zien op het immense veld (275 bij 145 meter), en is tussen de wirwar van paardenbenen ook nauwelijks te ontwaren of de bal wel of niet tussen de zeven meter uit elkaar staande doelpalen schiet, enige kennis van de spelregels is inderdaad nuttig. Uitgangspunt is veiligheid. Niet overbodig, gezien de snelheden van 60 kilometer per uur die man en paard kunnen bereiken en de 200 kilometer per uur waarmee een goedgeslagen bal zich kan verplaatsen.

Cruciale regel is dat de tegenstander nooit de denkbeeldige lijn tussen de bal en de balbezitter mag doorbreken. Het aftroggelen van de bal moet `parallel' zij aan zij gebeuren om riskante botsingen te voorkomen. De ene speler mag daarbij met zijn paard tegen dat van de andere `aanduwen', maar uitsluitend vóór het been van die speler. Duwen tegen de achterhand van het paard van de balbezitter is te gevaarlijk omdat het daardoor uit zijn evenwicht raakt en ten val kan komen. De hoek waarin het duwen wordt ingezet mag maximaal vijfenveertig graden zijn. Daarna wordt het verboden te rammen.

Wegens inbreuk op deze regel wordt het spel vaak stopgezet door de twee eveneens bereden arbiters in het veld. Fluit de ene, dan moet hij verplicht overleggen met de andere. Komen zij er beiden niet uit, dan beslist een derde die langs de lijn zit.

Buitenspel of iets dergelijks bestaat niet. Het gaat om slaan en liefst hard slaan: de speler die van de ene kant van het veld de bal in het doel aan de andere kant schiet, scoort. Het doel heeft bovendien geen bovenlat: hoge ballen die tussen de doelpalen blijven, leveren een punt op. Als een paard en speler ten val komen en de gevolgen zijn ernstig, dan stijgen alle spelers af. Wordt het spel wegens overtreding van de `lijn-regel' stopgezet, dan stokt ook de klok, want de speeltijd is schaars. Er wordt zes keer zeveneneenhalve minuut gespeeld.

Een paard mag, met het oog op de uitputtingsslag die het levert, geen seconde langer dan de duur van één episode (`chukka' genoemd) in het veld zijn. Die regel is strikt: ieder paard wordt geklokt. Tussen de chukka's hebben de spelers drie minuten om van paard te wisselen. Iedere speler verslijt dus zes paarden per wedstrijd. Dat wil zeggen minimaal zes, want soms wisselt een speler ook van paard tijdens een chukka.

Zo bezien is het geen wonder dat polo een sport voor de elite is en zelfs Argentinië – wegens uitgestrektheid pololand bij uitstek – slechts twintigduizend spelers telt. Het publiek bestaat dan ook bepaald niet uit hooligans: Hermès-vrijetijdskleding, kostuums, parelkettingen en Rolls Royces op het parkeerterrein bepalen de toon. De spelers `lenen' hun paarden van sponsors. Eén van hen, een autofabrikant, had enorme limousines en sportauto's met naar boven openslaande portiers in het `dorp' rondom de oude boerderij van Apremont, centrum van hippisch Frankrijk, laten neerzetten. In het gezelschap van oudere heren verkerende blonde jongedames krioelden eromheen.

Maar hoewel behorend tot de industriële en andersoortige aristocratie gaf iedereen tijdens de twee wedstrijden in de langere pauze tussen de derde en de vierde episode onverkort gehoor aan de oproep van de commentator. Al dan niet met hoge hakken ging iedere toeschouwer het veld op om de losgewoelde pollen aan te stampen. De paarden hebben daar geen last van, maar de bal wel. Een mooie `back' – een achterwaartse klap van een ruiter die de bal voorbijraast – kan er ernstig door gefnuikt worden.

Wereldkampioenschap polo worden gespeeld in de klasse tot maximaal veertien`handicaps'. Met deze enigszins bizarre term wordt het niveau van een speler aangeduid. Er zijn maar zeven à acht spelers in de wereld met meer dan tien handicaps. Voor het WK mogen alleen spelers meedoen met maximaal vijf handicaps, om de deelname van zoveel mogelijk landen te garanderen. In Europa komt in de hoogst gekwalificeerde wedstrijden het aantal `handicaps' van een aantredend team niet uit boven de 24. Alleen op de Argentijnse Open treden teams aan met een gezamenlijk aantal van tussen de 30 en 38 handicaps.

De beste speler is meestal nummer drie: een verdedigende middenvelder. Hij wordt bestreden door de nummer twee van het andere team, een aanvallende middenvelder. Gisteren kwam de Chileense nummer drie, José Labbe (5 handicaps), ten val. Hij snakte minutenlang naar adem, net als het publiek.

    • Pieter Kottman